Algemeen‎ > ‎

Sliekdaipen

De "sliekdaipen" zijn omstreeks 1868 gegraven, deze kanaaltjes vormden een verbinding tussen de Westerwoldse Aa en de losplaats aan de boezemdijk. Waar de boeren de gronden in gebruik hadden als bouwland. Met name de gronden die tegen de dijk langs de Westerwoldse Aa aanlagen waren kalkarme kleigronden.

De boeren trachten deze gronden vruchtbaarder te maken. Hiervoor werd gedurende een zestigtal jaren slib uit de Dollard over het land verspreid. Plaatselijke schippers voeren naar de Dollard. Tijdens hoog water legden ze het schip boven op het slib. Bij eb kwam het slib droog te liggen en kon het schip vol slib "geschept" worden. Bij vloed voer het schip weer vanuit de Dollard de Westerwoldse Aa op.

Het één en ander was niet zonder risico's. Vanaf de Westerwoldse Aa gingen ze door de sliekdaipen naar de losplaatsen.

Sliekdaipen waren er o.a. in Bellingwolde, Vriescheloo en Lutjeloo.

Zie ook: "Boerderijen in het kerspel Vriescheloo" , blz. 659 en 706.



De families Jansen, schippers uit Vriescheloo


 
Op de foto ziet u een Groninger tjalk waarvan de naam waarschijnlijk luidde  “Nimmerzorg”. Het schip was eigendom van Jan Jansen. Jansen staat voor de mast met links naast hem zijn echtgenote Stientje Tuitjer en daarnaast staan hun drie zonen Hindrik, Kornelis en Rieks. Rechts bij het roer zit zijn broer Filips.
Het schip ligt op de Westerwoldse A en is afgemeerd voor het huis van de familie Jan Jansen. Dat huis, waarin ook geschonken werd, stond vlak bij de “lange brug” over de Westerwoldse A, in de weg tussen Bellingwolde en Blijham. Toen er naast die brug een 2e brug werd gebouwd t.b.v. de toen aangelegde trambaan, moest het huis worden afgebroken omdat het in de weg stond. Geheel rechts op de foto ziet u nog net een stukje van een ouder schip, eigen- dom van Filips Jansen.
De “Nimmerzorg” moest om bij huis te kunnen komen of slijk af te leveren bij de A dijk of bij Lutjeloo, onder al die houten bruggen over de A door (ca. 10 stuks). Dat gebeurde door bijtijds de mast te kantelen, die daarvoor op een speciale manier was bevestigd. Dat is echter eens een keer misgegaan met als gevolg dat er een nieuwe mast gemaakt moest worden.

Met dat schip  heeft hij gevaren tot in de oorlog 1914-1918. Toen werd hij gemobiliseerd en gelegerd bij Oud-Statenzijl, hij kon toen het varen wel vergeten en hij was gedwongen zijn schip te verkopen.  Na zijn demobilisatie heeft hij o.a. wel als arbeider gewerkt bij E. Renken te Vriescheloo.

Jan Jansen            24-4-1909    Stientje Tuitjer
geb. 1-5-1882           B.wolde    geb. 3-10-1887 Bunde

ovl.    4-12-1958 Vriescheloo     ovl. 11-1-1982 Vriescheloo
z.v. Kornelius Jansen                  d.v. Hindrik Tuitjer
en Anna Nomden                       en Hinderika Schmidt
 
Kinderen, geboren te Bellingwolde:
1 Hendrik, geb. ..-8-1909, ovl. 24-12-1909.
2 Hendrik, geb. 12-1-1911
3 Kornelius, geb. 16-10-1912
4 Henderikus, geb. 26-8-1914
5 levenloze zoon, geb. 17-10-1915.
6 levenloze zoon, geb. 5-10-1916.
7 levenloze zoon, geb. 26-10-1917
8 levenloos kind, geb. 2-10-1920

Op 22-4-1930 vertrokken naar de gemeente Beerta en later in Vriescheloo gaan wonen.


 
Hierboven de “Concordia”, een steilsteven in 1926 gebouwd bij de firma Wolthuis aan het Dwarsdiep te Veendam, in opdracht van Jan Jansen. Het schip kostte toen fl. 5000,- en het mat 63 ton. De lengte bedroeg ca. 22 m., de breedte 4,3 m. Geladen stak het 1,2 m. diep.
Het schip had een “roef” (woonkamer met keuken) en aan de achterzijde, onder het dek een slaapvertrek met 2 kooien, elk geschikt voor 2 personen. Aan de boegzijde van het schip, was nog een ruimte waar  zich ook 2 kooien bevonden welke ook geschikt waren voor 2 personen. Totaal dus ruimte voor 8 personen!
Jan heeft hiermee gevaren tot ca. 1930, hij heeft het toen aan zijn broer Filips verkocht. Hij werd daarna zelf sluiswachter te Oud-Statenzijl en had daar ook een winkeltje met café.

Toen deze foto werd gemaakt, was het varen eigenlijk al afgelopen en in feite ligt het al te wachten op Hinderk Holtman die het in 1967 te Stadskanaal heeft gesloopt.


Filips Jansen            1-12-1906            Hinderika Tuitjer
geb. 13-10-1883 B.wolde    B.wolde    geb. 28-1-1886 Bunde
ovl.    17-11-1981 Vriescheloo             ovl. 12-5-1967 Vriescheloo
 
z.v. Kornelius Jans Jansen                   d.v. Hindrik Tuitjer
en Anna Nomden                                en Hinderika Schmidt

Kinderen, geboren te Vriescheloo:

1 Kornelius, geb. 29-1-1907
2 Hinderika Wirtjelina, geb. 17-10-1908
3 Hinderk, geb. 17-4-1911
4 Anno, geb. 16-9-1913
5 Anna, geb. 24-7-1915
6 Jan, geb. 16-12-1917
7 Geert, geb. 25-6-1920
8 Henderikus, geb. 16-6-1922
9 Stienus, geb. 26-1-1924

Het werd gebouwd als zeilschip en had toen dus een mast. Filips heeft deze er af laten halen  en heeft vervolgens in Wedderveer een 2e hands houten roeiboot gekocht, waarin door smid Jan van Heuvelen voor fl. 40,- een motor uit een T-ford werd geplaatst. Helaas was deze boot nogal lek, waardoor hij elke avond op de wal moest worden getrokken.

Al snel werd besloten om voor fl. 150,- een echte duwboot te laten maken door Van Heuvelen. Lengte ca. 6 m., geheel uit geklonken ijzer. Hij was echter een beetje “schel” geworden wat hem de naam “kromme Engel” opleverde.

De eerste motor die het schip kreeg, was geplaatst in het ruim, waardoor er twee luiken minder laadruimte ontstond. Wat later werd deze vervangen door een MWM (Motoren Werke Mannheim) tractor diesel motor van 40 pk, welke echter werd geplaatst in de roef, tegen het ruim, waardoor het oorspronkelijke laadvermogen weer werd hersteld.

Het vaarseizoen begon met het varen mest. Boer Ebels had wel 30 paarden op de schorren lopen en van hem werd dan een partij mest gekocht, die ze weer doorverkochten aan diverse boeren in Vriescheloo.

Vervolgens gingen ze dan zand vervoeren voor het Waterschap Westerwolde. Dat gele zand was gewonnen bij het graven van de kanalen door Westerwolde en lag nog op bulten naast die kanalen. Het werd gebruikt bij het ophogen van de dijken in die omgeving.
Vervolgens werd er met het schip slijk gevaren t.b.v. boeren uit Vriescheloo. Veruit de beste klant was de heer Strating, steenfabrikant te Winschoten, die over het Boelo Tijdenskanaal twee boerderijen bezat, waar toentertijd Menno Tuin zetboer op was. Strating was per jaar goed voor 30 ladingen, dat was 10 weken werk! Maar meestal bleef het bij zo’n boer bij 2 à 3 vrachten. Voor een omschrijving van het uitladen van de slijk e.d. verwijzen wij u naar  het boek “Bellingwolde Vroeger en Nu”, waar op blz. 591 t/m 593 uitgebreider het slijkvaren is  uiteen gezet.



Dat slijk werd ter plaatse van het land van de Vrieschelooster boeren uitgeladen, aan het Boelo Tijdenskanaal maar ook wel bij de slijkdiepen, die speciaal hiervoor langs de dijk bij de Westerwoldse A waren gegraven en waar ze dan deelgenoot in waren:
 

Na de oorlog was het echter met het slijkvaren gedaan. Ook hebben ze in de oorlog met stro en aardappels gevaren voor de Duitsers. De lading werd dan afgeladen bij de strokarton fabriek te Nieuweschans en ging dan per trein naar Duitsland. Op die manier konden ze ook voorkomen dat ze te werk werden gesteld in Duitsland.
Daarna werd het tijd (in de laatste jaren) voor het vervoeren van bieten naar de suiker fabrie- ken in Groningen en Hoogkerk.

Sommige boeren hadden de aardappels of bieten op de dijk liggen, maar de meeste haalden ze met paard en wagen van het land, waar de aardappels werden gezeefd, naar de dijk. Dan groeven ze op de plaats waar het schip lag een stukje uit de dijk, waar de achterwielen van de wagens in kwamen te staan, terwijl de plaats van de voorwielen met een partij loof werd opgehoogd. Zo stonden de wagens scheef en konden ze die snel afladen. Ze moesten dan m.b.v. kruiwagens over de posten naar het schip en in het ruim worden gestort. Dat laden duurde zo 1 tot 3 dagen en dan moesten ze nog een dag rekenen voor het heen en weer varen naar de aardappelmeelfabriek.

s’Winters werd er vanwege het ijs niet gevaren, de schippers woonden dan aan wal bij hun ouders aan Muntinga’s laan, thans geheten de 2e Loosterlaan 4 te Vriescheloo.

 
In het begin voer Filips met een knecht aan boord, welke fl. 12,50 per week verdiende. Later kwamen zijn zoons hem helpen aan boord, maar de oudsten zochten na verloop van tijd een baan aan de wal. De beide broers Geert en Stienus Jansen hebben het langst gevaren als schipper. Stinus is in 1966 gestopt en Geert heeft het toen een jaar alleen geprobeerd, maar moest er toen ook mee stoppen. Het varen met schepen door Vrieschelooster schippers was toen verleden tijd geworden.

bron: Jan Huizing, Zuidlaren