Oost-Groninger Hildesheimers

Oost-Groninger Hildesheimers,

de staat één grote boerenplaats.

 

Arne C. Jansen

www.bernard-mandeville.nl

 

Omdat dit artikel vrij lang is, vindt u helemaal onderaan deze pagina een link om een PDF bestand te downloaden.

 

Inleiding Oost-Groninger Hildesheimers                                                  2

 

Hoofdstuk 1 Boerenzoons naar de Landwirtschaftschule Hildesheim        4

Hoofdstuk 2 Boerenofficieren in Hildesheim                                               8

Hoofdstuk 3 Junker in Oost-Groningen                                                      10

Hoofdstuk 4 Boelo ‘Bismarck’ Tijdens in de Tweede Kamer                       13

Hoofdstuk 5 Vrijzinnige boeren in de partijpolitiek                                       20

Hoofdstuk 6 De onvervalste Junker Derk T. Barlagen                                24       

Hoofdstuk 7 Junker-strateeg Tjark E. Bontkes                                            27

Hoofdstuk 8 De tweede jeugd van Jan Smid                                              34

Hoofdstuk 9 Naar het nationaalsocialisme, zonder pachtboeren                38

Hoofdstuk 10 Bezetting voorbij, boerenprotectie blijft                                 43

Besluit                                                                                                          46

 

Bijlage 1 Bontkes, Landbouw-organisatie (1917)                                        47

Bijlage 2 Idem, Het probleem der landelijke vertegenwoordiging (1931)     48

 


Inleiding

Oost-Groninger Hildesheimers

 

In het boekje Bellingwolde in oude ansichten las ik dat de villa Benvenuto, waarin ik gewoond had, was gebouwd door Tjark Eltjo Bontkes.[14] Nadat ik erachter was gekomen wie hij was, raakte ik verzeild in een historisch onderzoek dat me steeds verder van huis bracht. Oostwaarts de grens over, eerst naar Hildesheim in de negentiende eeuw.

 

Daarna moest ik nog verder, de Elbe over naar wat vaak Oost-Elbië (Duits: Ostelbien) werd genoemd. Dit gebied, Pruisen ten oosten van de Elbe, komt in grote lijnen overeen met het vroegere Oost-Duitsland (DDR), een groot deel van het huidige Polen en de Russische exclave Kaliningrad. [15] Afgezien van Berlijn en enkele andere steden was Oost-Elbië, voor zover al bebouwd, voornamelijk agrarisch. Een feodale samenleving. De Oost-Elbische grootgrondbezitters of Junker waren absolute heersers over hun eigen bezit, inclusief degenen die voor hen werkten. Bezitloze boeren en landarbeiders waren formeel tot 1807, maar in de praktijk tot 1850 hele of halve lijfeigenen. [16]

 

Er waren daar in 1850 elfduizend grootgrondbezitters, met of een riddergoed ( minstens 200 ha), of als grote boer (100-200 ha). Verder waren er tweehonderdvijftigduizend middelgrote boeren (met 10-100 ha) en vijfhonderddertigduizend kleine boeren (hoogstens10 ha). De heersers waren Duits. De arbeiders, Duitsers en veel Polen of anderszins Slavisch, vertrokken zo gauw ze maar konden. Emigratie naar Amerika en migratie, ‘Landflucht’, trek naar de steden, vooral in het Rijnland, met hun opkomende industrie.

 

Het Pruisen van Otto von Bismarck, die zelf een Junker was. Het Junkerland, een Lutherse drie-eenheid van staat, leger en landbouw. Niet de traditionele adel, maar de agrarische Junkermacht, die zijn positie bedreigd zag door de negentiende-eeuwse industrialisatie, de vrijhandel, globalisering, liberale vrijzinnigheid en de emancipatie van de arbeidersklasse. Deze grootgrondbezitters wensten zich onder geen beding aan de veranderende omstandigheden aan te passen. Integendeel, hun motto was machtshandhaving door machtsvergroting. De hakken in het zand en hoe dan ook hun Junker-wil opleggen aan de rest van Duitsland, Europa en de wereld. Hun grondidee: de hele staat moet als één grote boerenplaats worden opgevat.

 

Ik wist niet dat het Pruisen van Bismarck tot en met de Eerste Wereldoorlog door verscheidene Duitse historici als ‘vor-faschistisch’, als fascistisch avant la lettre wordt aangemerkt.[17] Ook niet dat de Blut-und-Boden-ideologie van de nazi’s feitelijk een product van deze negentiende- eeuwse Junker was.[18] En evenmin dat de nazi’s demagogische methoden gebruikten, die ze van de door Junker in 1893 opgerichte ‘Bund der Landwirte’ hadden afgekeken.[19]

 

De ideologie en agitatie van de Junker, waarbij namen horen als Diederich Hahn (1859-1918) en Elard von Oldenburg-Januschau (1855-1937), plaveiden de weg naar Adolf Hitlers nationaalsocialisme. Diens ‘vermeende raciale elite kopieerde opzettelijk de arrogantie van de landjonkers, hun afgemeten soldatentaal en hun bereidheid geweld te gebruiken als iemand ze dwars zat. Toen de SS kadettenkampen opzette, noemden ze die SS-Junkerschule.’[20]

 

Maar wat ik vooral niet wist, is dat vele zonen van Oost-Groninger herenboeren, onder wie Bontkes, in de periode vanaf 1871 tot 1930 de Landwirtschaftschule in Hildesheim hebben bezocht. Van de ploeg naar het zwaard, was het motto van de school. Een school voor boerenofficieren, een Junkerschule. Deze Groninger adolescenten werden als Junker gevormd. Oost-Groningen werd uniek. Nergens anders in Nederland vormde zich een Junker-exclave van herenboeren en de sociale kring direct om hen heen. Een ‘Junker-heerlijkheid’.

 

Oost-Groningen kent een ander bijzonder verschijnsel, dat in de herinnering nog actueel is: de beruchte vijandigheid tussen herenboeren en arbeiders in het Oldambt. Wat daar zo schandelijk en schadelijk fout is gegaan, is vaak beschreven. Maar niet verklaard. Ik ben geneigd naar de ‘Hildesheimers’ te kijken.

 

Ik zal vooral stilstaan bij enkele Oost-Groningers die gezichtsbepalend en invloedrijk zijn geweest aangaande de Junkergeest en de opvatting dat de staat één grote boerenplaats moet zijn: Boelo Tijdens, Derk Barlagen, Tjark Bontkes en Jan Smid.

 

Mijn verhaal start bij de Korenbeurs in Groningen, rond 1800.

 

 

 


 


Hoofdstuk 1

Boerenzoons naar de Landwirtschaftschule Hildesheim

 

Kijk naar deze prachtige korenbeurs aan de Vismarkt en achter de A-kerk in Groningen. Achter de neoklassieke gevel bevindt zich de overwelfde, langwerpige galerij, die op een oranjerie lijkt en nu een supermarkt herbergt. Denk de omgeving van het gebouw weg, dan staat er een futuristische Groninger villaboerderij. De korenbeurs is het symbool van een indrukwekkende agrarische ontwikkeling.


Klein ten opzichte van de A-kerk waren de korenbeurzen die hier eerder stonden.


























Rechts de eerste korenbeurs uit 1774, een open houten gebouwtje, dat in 1825 werd vervangen door een iets stijlvoller stenen maar ook nog open gebouw (hieronder). In 1865 werd de huidige overdekte korenbeurs in gebruik genomen.





















De Groninger kleiboeren waren arme weideboeren, totdat ze in het laatste deel van de achttiende en het begin van de negentiende eeuw op akkerbouw overgingen. Ze scheurden het grasland. De reden: ‘De verschrikkelijke veepest maakte - zoo aanbiddelijk is het Godsbestuur - den boer in deze gewesten rijk’.[21] Het was voor de landbouw de ‘zilveren eeuw’. Graan van eigen bodem was lucratief. De vraag naar graan in Nederland voor eigen gebruik en ook om verder te verhandelen was altijd al veel groter geweest dan het binnenlandse aanbod. De Nederlanden importeerden via Amsterdam eeuwenlang graan uit de landen rond de Oostzee. De korenbeurs in Groningen werd in de negentiende eeuw de belangrijkste graanmarkt van Nederland.

 

Maar later in de negentiende eeuw werd door middel van sterk verbeterde transportmiddelen goedkoper graan uit Amerika en Oost-Europa aangevoerd. Dan ondervinden de Groninger boeren de harde wetten van de internationale graanmarkt aan den lijve. Zolang het goed gaat piept niemand. Langdurige economische crises brengen hen ertoe bij de overheid aan te kloppen. Boeren zijn net mensen.

 






Uiteraard hebben ze ook het beste met hun gezin voor. Dokter Rembertus Westerhoff uit Warffum, medeoprichter van het belangrijke Genootschap ter Bevordering der Nijverheid te Onderdendam, schreef in 1840: ‘Nadat door een samenloop van verschillende omstandigheden onderscheidene landlieden, in het Oldambt zowel als hier op het Hoogeland, van behoeftige landbouwers tot rijke, tot vermogende ingezetenen waren opgeklommen, begrepen enige van de verlichtste, van de helderst denkenden onder hen, en zeer terecht, dat het niet genoeg was, dat zij hun kinderen brood en geld verschaften en nalieten, maar dat ook hun verstand ontwikkeld, hun geest beschaafd moest worden. Zij begrepen, dat het hun plicht was, hun kinderen een behoorlijke opvoeding te geven, en dat zij niet beter met hun verkregen rijkdommen konden woekeren dan ze daartoe te besteden.’[22]

 












In 1842 opende de Landbouwkundige School in Groningen haar deuren. Na een in de laatste jaren zieltogend bestaan als gevolg van verschillen van inzicht over de opzet, academisch of praktisch, werd zij in 1871 gesloten. [23]


Haar eerste leerling was Cornelis Jans Geertsema, die herenboer in Zuidbroek, bestuurslid van het Genootschap ter Bevordering der Nijverheid te Onderdendam en lid van de Eerste Kamer zou worden. Geertsema wees zijn mede-herenboeren in 1869 op een andere opleidingsmogelijkheid: Hildesheim. Hij schreef toen een stuk over het Nederlandse landbouwonderwijs en zei hierin onder meer dat de Landwirtschaftliche Lehranstalt of Ackerbauschule in het Duitse Hildesheim werd aangeprezen als een der beste en meest bezochte scholen voor zonen van landbouwers. [24] Daar zou het onderwijs praktisch zijn, niet academisch zoals in Wageningen.[25]

 

De levensbeschouwelijk vrijzinnige en politiek liberale Oost-Groninger herenboeren lieten er geen gras over groeien. Liberaal betekende toen vooruitstrevend. Geen neoliberalen met hun vrije markt-ideologie. Zodra ze economisch tegenwind kregen, werden ze protectionistisch, vroegen ze om steun en ingrijpen door de overheid. Al in de winter van 1870-71 gingen de eerste Groningers al naar Hildesheim. Jongemannen met de vereiste middelbare vooropleiding, die rond 1850 waren geboren. Voor hen was de cursusduur van de vakschool drie semesters. Hildesheim viel duidelijk in de smaak en werd een Oost-Groninger traditie. Jaarlijks gingen er jaarlijks een stuk of drie, vier boerenzoons heen.

 

Wat voor een school was het? De ‘Landwirtschaftschule’, school voor landhuishoudkunde, in Hildesheim was een nieuw type middelbare school. Voor een goed begrip, het was geen ‘Ackerbauschule’, geen landbouwschool, maar een ‘landwirtschaftliche Realschule’, dat wil zeggen een hogereburgerschool met natuurwetenschappen en, in plaats van een tweede vreemde taal, het vak landhuishoudkunde.[26] De school was in 1858 opgericht door Konrad Michelsen (1804-1862) en bestaat nog steeds als Michelsenschule.


Michelsen kwam uit het hertogdom Sleeswijk, dat onder het gezag van de Deense koning stond. De Duitssprekende leraar Michelsen was daar actief voor de aansluiting van Sleeswijk bij de Duitse Bond, waarvan Holstein in 1815 wel lid was geworden. De Eerste Duits-Deense Oorlog of Driejarige Oorlog (1848-1851) was de eerste oorlog in zuidelijk Denemarken en Noord-Duitsland die voortkwam uit het conflict over de hertogdommen Sleeswijk en Holstein. Deze oorlog duurde van 1848 tot 1851. Hierbij waren ook troepen van Pruisen en Zweden betrokken. Uiteindelijk resulteerde de oorlog in een Deense overwinning. Michelsen kreeg voor zijn rol van de Deense koning geen amnestie en zocht zijn heil in Hildesheim.

 

Het nationalistische Denemarken, waar de Lutherse kerk en staat niet gescheiden waren, en in 2018 nog steeds niet zijn, nam in 1864 stappen om de hertogdommen Sleeswijk en Holstein te integreren in Denemarken. Verzet hiertegen onder de Duitse bevolking leidde tot de Tweede Duits-Deense Oorlog. Het gevolg hiervan was de politieke opkomst van de conservatieve Otto von Bismarck, zijn militaristisch Duits nationalisme en streven naar Duitse eenwording en Europese hegemonie.

 

Denemarken verloor deze oorlog. Een reactie binnen Denemarken was in 1866 de oprichting van de Deense Heidemaatschappij door de Deense officier E.M. Dalgas. Omdat de Deense landverovering naar buiten toe was mislukt, besloot men land naar binnen toe te veroveren: in de vorm van de ontginning van woeste gronden in Denemarken. De Danske Hedeselskab, de Deense Heidemaatschappij, werd in 1888 het voorbeeld van de Nederlandse Heidemaatschappij, die een kwart eeuw later bewerkstelligde dat Westerwolde op de schop ging.

 

Na de dood van Konrad Michelsen volgde zijn zoon Eduard Michelsen (1838-1894) hem als directeur op. ‘Hildesheim’ werd een grote, toonaangevende school. In de jaren 1858-1882 leverde ze in totaal 1680 leerlingen af. Daarna zo’n tweehonderd per jaar. Contact werd onderhouden door middel van hetHannoversches Land- und forstwirtschaftliches Vereinsblatt’, dat de school vanaf 1862 wekelijks uitgaf. Bovendien werd in 1891 de actieve, nog steeds bestaande ‘Verein alter Hildesheimer Michelsenschüler’ opgericht.

 

Naar het voorbeeld en model van Hildesheim werden er in Pruisen tot 1888 nog vijftien Landwirtschaftschulen gesticht. ‘De landbouwscholen bestaan uit twee afdelingen, de voorschool van twee of drie klassen, welke met de gelijke klassen der gymnasia of Realschulen op één lijn worden gesteld, en de eigenlijke vakschool, welke een 3-jarige cursus omvat.‘ [27] De leerlingen beginnen met de voorschool als ze vijftien of zestien jaar oud zijn. Het einddiploma geeft toegang tot landbouwstudies op academisch of universitair niveau.

 




In 1881 schreef het Algemeen Handelsblad: ‘Niet ver van onze grenzen, te Hildesheim, bestaat een Landbouwschool, die onder onze landbouwende bevolking een nogal goede naam schijnt te hebben. Uit een dezer dagen gedane opgave blijkt, dat uit een vijftal in het oostelijk deel van Groningen gelegen dorpen niet minder dan negen boerenzoons genoemde school bezoeken’.[28] In 1888 hadden al zo’n 60 Groningers de school bezocht. Eind jaren 1920 was Hildesheim nog in zwang.[29]

Leerlingen uit Oost-Groningen. Ca. 1880. De ‘Schülermütze’ (pet) was vanaf 1870 verplicht in Duitsland. Rechts voor Sypko Renken (1871-1941) uit Beerta / Kroonpolder. Op de klassefoto hieronder zien we dezelfde vooraan links. Met dank aan Jan Pieter de Groot. http://members.home.nl/jp.de.groot/

 

Afgaande op de genoemde cijfers mag worden aangenomen, dat het gros van de middelbaar opgeleide Oost-Groninger boerenzoons Hildesheim heeft bezocht.[30] Wat ze daar op agrarisch gebied leerden, laten we hier verder rusten. Van groot belang is de specifieke vorming die ze er kregen. ‘Hildesheim’ was een broedplaats van jonge Pruisische boerenofficieren. De Groningers werden ondergedompeld in het politieke klimaat van de ‘Bismarckzeit’.


 



Hoofdstuk 2

Boerenofficieren in Hildesheim

 


De eerste jonge Groningers moeten in de Landwirtschaftschule in Hildesheim warm onthaald zijn door zowel het lerarenkorps van de school als hun medestudenten. Alsof het verloren Germaanse zonen waren en omdat ze lege plekken opvulden. Van leerlingen, in totaal zesendertig, die in het Pruisische leger vochten.[31] De Frans-Pruisische oorlog van 1870-71. De Noordduitse Bond onder leiding van Pruisen versloeg het Frankrijk van Napoleon III vernederend.

 


In januari 1871 vond de stichting van het Duitse keizerrijk plaats, een bond van Duitse vorstenstaten onder voogdij van Pruisen. Wilhelm I, koning van Pruisen, werd tevens keizer van Duitsland. De grootgrondbezitter en conservatieve nationalist Otto von Bismarck (1815-1898) was als minister-president van Pruisen en als Rijkskanselier de grote man. Hij was tegen liberalisme, democratie en socialisme. Machtsvergroting en eenwording door ‘bloed en ijzer’ was zijn parool. ‘De toekomstige en nationale oorlog moet een ’Volkskrieg’ zijn’, aldus Bismarck. Van het hele Duitse volk. Duitsland was dan wel staatkundig een eenheid, maar de Duitsers niet één volk. Daarom moest ook de rooms-katholieke kerk zich naar Bismarck en niet of minder naar Rome voegen. De internationaal georiënteerde socialisten en communisten stelde hij in 1878/1879 buiten de wet. Hij vervolgde hen met de middelen die bij een politiestaat horen, zoals censuur en geheime diensten. Tegelijk nam hij maatregelen voor een paternalistische verzorgingsstaat. Niet uit sociale bewogenheid, maar om zijn greep op de arbeidende stadsbevolking te versterken en de arbeidersbeweging de wind uit de zeilen te nemen. Om de machtspositie van de plattelandsaristocratie te handhaven maakte Bismarck in 1878/1879 een politieke ommezwaai naar verregaande protectie van de landbouwers.

 

Onstuimige Duitse nationalisten streefden naar een sterke Duitse eenheidsstaat. Ze maakten graag gebruik van schrijvers zoals Ernst Moritz Arndt (1769-1860) en Friedrich Ludwig Jahn (1778-1852) die de fictie van het Germaanse volk bedachten. Het Germaanse volk zou ooit een groter gebied dan van alleen de Duitse staten hebben bewoond. Het was een boerenwereld. Stedelingen zijn ook Germanen, namelijk oorspronkelijke plattelanders die op een kluitje zijn gaan wonen. Rijke stedelingen gaan op het platteland wonen. De Germaanse volksgemeenschap wordt het criterium voor nationaliteit. Je kunt er enkel in worden geboren. Niet waar je woont of je paspoort is beslissend, maar bloedverwantschap. Wie geen Germaan is, moet weg. Antisemitisme was al eeuwen lang Luthers erfenis. En tegen de Slavische volken. Etnische zuiveringen zijn de consequentie.

 

Een Germaanse boerenstaat, de nagestreefde herschepping van het bedachte oude stamverband, zal niet zonder harde strijd tot stand kunnen komen. Want, zo is de redenering, de oude westerse Germaanse cultuur (inclusief mythologie) is vanaf de zevende eeuw op een haar na vernietigd door het uit het oosten gekomen christendom. Het christelijke is weliswaar fraai, echter ‘de weg tot de verering van zedelijke krachten en tot de vorming van een zedelijk leven vertrekt bij de verering van de natuurgoden’.[32] De Germaanse (boeren)cultuur moet worden terugveroverd op de industriëlen, op de stedelijke bevolking en op het Slavische Oosten.[33] Door en voor het krachtige Germaanse karakter: Pruisisch vuistrecht.

 

Bij de Pruisische bevolking werd op allerlei manieren een militaristische mentaliteit, ‘Gesinnungsmilitarismus’, aangekweekt. Omdat, zo zei men, volksvrijheid gepaard moet gaan met volksbewapening en algemene dienstplicht. Hildesheim speelde een belangrijke rol wat dit ‘Gesinnungsmilitarismus’ betreft.[34] ‘Die Landwehr ist “ein Volk in Waffen“, Wehr- und Nährstand sind in ihm verbunden.‘ (De landweer is ‘een bewapend volk’, krijgsmans- en voedingsstand zijn hierin verbonden.) [35]

 

Met de andere scholen in Duitsland die het onderwijsmodel Hildesheim hadden overgenomen, streefden de nationalistische directeur Eduard Michelsen en de militaristische leraar Friedrich Nedderich hun politieke hoofddoel na: het kweken van boerenofficieren. Om dit te bereiken, moest de sociale status van de boeren worden verhoogd. Boeren stonden even laag op de maatschappelijke ladder als het arbeidsvolk in de steden, onder het niveau van de ‘Mittelstand’, de bourgeoisie. Maar zeker de hogere ‘Mittelstand’ op het platteland die uit boeren-eigenaren en de meer vermogende pachters bestaat, moet stijgen, aldus Fürstenberg.[36] Door ‘Bildung’, door een middelbare scholing en ontwikkeling, blijkend uit een diploma, moeten zij opklimmen naar het niveau van het ‘Bildungsbürgertum’, de goed opgeleide bourgeoisie.

 

Verder moet het getuigschrift van de voorschool van deze landbouwscholen recht gaan geven op de ‘einjährigen militärischen Freiwilligendienst’. [37] Dit betekent geen algemene dienstplicht van drie jaar, maar in een jaar reserveofficier worden, op eigen kosten en eventueel tijdens de driejarige cursusduur van de vakschool. Dat de Duitse boerenzoons reserveofficier kunnen worden, bewijst pas hun sociale stijging. Want Pruisen, Duitsland, is streng hiërarchisch. De rang is de persoon.

 

Friedrich Nedderich

Nadat Pruisen in 1866 het koninkrijk Hannover had ingelijfd, werd de Bildung ook in Hildesheim typisch Pruisisch. Naast het gymnasium, het oorspronkelijke klassieke Bildungsinstituut, werden al spoedig andere middelbare scholen, Realschulen, in het leven geroepen. Op al deze scholen werden de leerlingen geïndoctrineerd met het Germaanse wereld- en beschavingsbeeld van Bismarck en de zijnen. Boeren moesten ‘tüchtige’ staatsburgers worden, beklemtoonde de toen nieuwe geschiedenisleraar Nedderich.

 

Dat Hildesheim meer inhield dan landbouw, stelde ook de Nederlandse landbouwcommissie in 1888 vast: ‘Het is onmiskenbaar dat het normale leerplan is vastgesteld met het oog op de eisen welke aan eenjarige vrijwilligers moeten gesteld worden. Dientengevolge is het onderwijs in algemene kennis meer op den voorgrond getreden en heeft het eigenlijke landbouwonderwijs geleden.’[38] Tijdens de drie semesters dat ze in Hildesheim zaten, waren de Groningers omringd door medestudenten die al reserveofficier waren of op de officiersopleiding zaten.

 

‘Waarom toch naar Hildesheim en bijvoorbeeld niet naar Wageningen?’ Deze vraag werd in 1890 in een Nederlands onderwijstijdschrift als volgt beantwoord: ‘Misschien omdat ze in oktober kunnen gaan en altijd worden opgenomen, om met Pasen terug te komen, des zomers thuis te zijn en in de herfst weer naar Hildesheim kunnen gaan. Wie de cursus wil doorlopen, moet dus driemaal naar Hildesheim. Er zijn er ook enkelen, die er anderhalf jaar achter elkaar blijven, 't geen natuurlijk veel beter is. Verder is het goedkoper in Hildesheim. De gemiddelde prijs bedraagt voor een gemeubileerde kamer met slaapkamer en volle kost per kwartaal 120 tot 150 mark. In de meeste gevallen bewonen 2 leerlingen een kamer gemeenschappelijk. Eindelijk is men dan in het buitenland op een school geweest en van het buitenland schijnen de Nederlanders nogal te houden.’[39]

 

De Nederlandse onderzoeker zag de essentie van Hildesheim over het hoofd. Eén van de twee motto’s van de school was: ‘Vom Pflug zum Schwert’, van de ploeg naar het zwaard. [40] De leerlingen kregen ‘een zowel zakelijke als algemene, door de vaderlandse geest gedragen vorming ten behoeve van de volks- en militaire kracht van het land.’[41] Aan de sfeer van ‘Burschenschaften’ kon Wageningen niet tippen. Wat ook juist niet de bedoeling was. Wageningen was dorps en juist daarom gekozen als vestigingsplaats van de landbouwschool, in plaats van Utrecht. Het is niet zo groot ‘dat de landlieden voor een te sterke ontwikkeling van stadsbegeerten en stadse neigingen bij hun zonen hoeven beducht te zijn.’ [42]

 


Hoofdstuk 3

Junker in Oost-Groningen

 

De herenboeren die hun zonen naar Hildesheim lieten gaan, waren grote kleiboeren uit het Oldambt en noordelijk Westerwolde. Geertsema zegt over hen: ‘De Oldambtster landbouwer helpt niet mede tot de arbeid, dan bij uitzondering. Hij geeft zijn orders aan de grote knecht en houdt zelf van tijd tot tijd het opzicht. (…) De eerste of grote knecht is bij velen getrouwd, slaapt buiten 's huis en is des Zondags geheel vrij’.[43] Hij voegt eraan toe dat ‘niet alleen deze Dollardgronden, maar ook de dorpen Bellingwolde en Blijham met de gewoonten en zeden der inwoners geheel met die in 't Oldambt overeenkomen en hierbij eigenaardig meer behoren dan bij de overige Westerwoldse dorpen.’[44]

 

Hiertegenover waren de meeste boeren in Westerwolde kleine zandboeren. Geertsema: ‘Een ieder is hier, als het ware, ook landbouwer; – kooplieden, handwerkslui en arbeiders, ja zelfs inwonende of vaste boerenknechts huren soms enig veenland, om te boekweiten. (…) De landbouwer en zijn vrouw gaan geheel vertrouwelijk en gemeenzaam met hun inwonende dienstboden om. Zij werken dagelijks tezamen, eten met elkander aan dezelfde tafel, zitten in de lange winteravonden gezamenlijk aan dezelfde haard om het vrolijk brandend vuur en dragen tezamen het huiselijk lief en leed, als leden van hetzelfde gezin.’

 

De geringere mate van ongelijkheid in Westerwolde blijkt volgens Geertsema ook uit de wijze waarop de marken worden bestuurd. ‘Het is hier een echt democratisch bestuur, waar elk belanghebbende telkens ter vergadering wordt opgeroepen en mederegeert en alleen de uitvoering der genomen besluiten aan den boermeester opgedragen wordt.’[45] Echt democratisch, maar dan wel binnen een selecte kring. Wie geen vol boerrecht bezat, stond aan de kant.

 

In het Oldambt gingen herenboeren en landarbeiders niet als gelijken met elkaar om. Maar de sociale kaart was niet zwart-wit. De herenboeren kenden ook gelijkgezinden. Er bestond namelijk een soort van gelijkheid in opvattingen tussen de herenboeren, de kleinere boeren en de grootknechten of ‘gezeten landarbeiderstand’. De feitelijke economische verschillen die er tussen hen bestonden, betekenden niet, dat ze verschillend in het boerenleven stonden, een andere mentaliteit hadden. Er heerste tussen hen een egalitair besef, aldus Knottnerus.[46] Wat de inhoud van dit besef binnen deze kring betreft, deze werd vanaf 1871 doorslaggevend bepaald door wat de jonge herenboeren in Hildesheim hadden opgestoken.

 

De habitus en ideologie van de Junker – vertaald in het Nederlands als jonker of jonkers dekt de Pruisisch-feodale lading niet - waarmee hun zonen uit Hildesheim terugkwamen, gaf de vaders en moeders een onwankelbaar geloof in hun eigen belang en status. Zichtbaar leidde dit tot de vervanging van boerenbehuizingen door villa’s, met of zonder schuren. Of beter gezegd, Hildesheim en het bouwen van boerenpaleizen trokken samen op.

 

Even een toeristische paleizenroute als tussendoortje. Wat vertellen ons de boerenpaleizen waarom Oost-Groningen bekend staat? Zijn ze een kwestie van opschepperij? [47] Een toonbeeld van agrarische hovaardij? Stadse fratsen?[48] Net als de korenbeurs hebben ze voorgangers.

 

Dokter Westerhoff vond de toestand van de ‘hedendaagse landlieden’ rond 1840 onherkenbaar veranderd ten opzichte van de tijd nog maar kort daarvoor. ‘Hoe is een zo verbazend grote verandering in zulk een kort tijdsbestek toch mogelijk geweest!’ ‘Dáár, waar men vroeger armzalige, nauwelijks bewoonbare, en voor het doel ongeschikte hutten slechter dan thans de stallen voor het vee – en hooischelven en kleine schuurtjes vond, dáár vindt men thans ruime, hechte en smaakvolle, maar tevens kostbare woningen, die, somwijlen van onderscheidene behangen vertrekken voorzien, aangenamer en veel doelmatiger voor verblijf, geschikter voor het beheer, voordeliger voor de berging van oogst en vee, doch gelijkelijk bezwarender van onderhoud zijn, in één woord, dáár vindt men thans luchtige, lichte en vrolijke woningen, waarin de rijkste vorst zijn verblijf wel zouden kunnen houden.’

 

Westerhoff voegt er een prikkelende voetnoot aan toe: ‘Ook hier toch vinden wij steeds de fraaiste, aangenaamste, smaakvolste en doelmatigste woningen juist in die streken, alwaar wij de meeste verstandsontwikkeling en de fijnste beschaving onder de landlieden waarnemen.’ [49] Niet te overtreffen, dacht Westerhoff. Hij vergiste zich, in ieder geval wat Oost-Groningen betreft. In 1877 signaleert dominee Goudschaal uit Scheemda: ‘Tal van boerderijen, waarin men zich tot dusver beholpen had, werden afgebroken en door smaakvolle en kostbare gebouwen vervangen. De dorpen, zoals ik die vóór 40 à 50 jaren gekend heb, zijn nagenoeg overal herschapen. Woningen zelfs, die in genoemde tijd als sterren blonken, werden niet te goed geacht om ze te slopen en met ware kastelen te verwisselen.’[50]

 

Over deze ‘ware kastelen’ van de herenboeren schreef een journalist in 1893: ‘De meeste dier boeren-paleizen zouden op Heeren- of Keizersgracht of aan de Velperweg een zeer goed figuur maken. Alle die huizen zijn betrekkelijk nieuw, de meeste dateren uit de laatste dertig jaren.’ [51] Ze zouden nog tot in het begin van de twintigste eeuw worden gebouwd.

 

De bekende psychiater en schrijver Frederik van Eeden (1860-1932), die Bellingwolde in 1917 bezocht, was ook onder de indruk. Hij overnachtte er in de villa Benvenuto. [52] Van Eeden schrijft: ‘De volgende morgen deed ik een autotocht naar Bellingwolde, met een heer Bontkes, een rijke landbouwer, nog jong en met allerlei plannen voor landbouworganisatie. Ik verbaasde mij over de grote hoeven en het welvarende land. De landbouwers wonen er in kastelen, grote huizen met zes ramen aan den weg, en grote spiegelruiten. Enorme schuren er achter. De auto kon niet verder en we reden met rijtuig terug. We zagen het Duitse land. Ik vond overal de vrouwen zeer anti-duits, veel feller dan de mannen.’ [53]

 

Deze overtreffende trap in boerenbehuizing is in Oost-Groningen in dezelfde periode gerealiseerd als waarin de Junker-ideologie zich er vanuit Hildesheim nestelde. De villa’s van de ‘boer-geoisie’ verschillen niet van de villa’s van de bourgeoisie, die toen overal in en bij de grotere en kleinere steden in Nederland werden gebouwd. Mode van welgestelden en zoals elke mode, zowel nabootsing als een beetje onderscheidend. De herenboeren waren geen opscheppers. Ze hadden het sociaalpsychologische gelijk aan hun kant, namelijk dat je bent hoe je woont, in de ogen van jezelf en/of van een ander. Kleren maken de man en vrouw, woningen niet minder. Maar op het platteland in deze mate en op deze manier: alleen in Oost-Groningen.

 

Na dit paleistoertje terug naar de Junker-ideologie, die primair tot een keiharde sociale verharding leidde. De herenboeren gingen de middelste, lagere en ten slotte de ‘lutje’ knechten, voor zover die net als het stedelijke proletariaat gevoelig waren of konden worden voor de lokroep der socialisten, als doodsvijanden zien. De verhoudingen tussen herenboeren en arbeiders in het Oldambt en omstreken werden zeer slecht. Er waren drie soorten bazen: slechte, heel slechte en Oost-Groninger herenboeren.

 

Eind 1892 vonden in het Oldambt ongeregeldheden plaats. Militairen werden ingezet om de orde te herstellen. De opstand was in wezen onvermijdelijk. Voor de gezinnen van de herenboeren kon de luxe niet op, terwijl ‘het (personeel) zelf wordt verbannen naar de donkere koegang, overgegeven aan verveling, als paria’s uitgesloten en overgelaten aan zijn eigen lot. Daarenboven behandeld met die boerentrots, die zo krenkend, vernederend en heerszuchtig kan zijn, dat ieder die nog enig gevoel van eigenwaarde heeft, onwillekeurig er tegenop komt’, aldus de liberale journalist en notaris Landré uit Winschoten. [54]

 

Het jongere herenboerengeslacht was onhebbelijk geworden. Landré, pas in 1891 vanuit het Noord-Brabantse Vlijmen naar Winschoten was verhuisd, schreef in 1892: ‘Door zeer ontwikkelde landbouwers wordt ernstig geklaagd over de onvoldoende vakkennis van het jongere geslacht, dat een vernisje van beschaving heeft opgedaan, over fosfaat, kali en kainiet weet te praten, flink bier heeft leren drinken, gaarne politiseert en in vergaderingen zijn wijsheid luchten laat. Daar het van alles op de hoogte wil zijn, leest het dagbladen en tijdschriften, is lid van velerlei instellingen, maar heeft geen tijd om zijn bedrijf behoorlijk na te gaan.’[55]

 

Na de ongeregeldheden scherpte Landré zijn beeld van hun mentaliteit verder aan: ‘De type van de tegenwoordige Groningse boer is dat van een misgewas. Hij heeft iets geleerd door het bezoeken van goede lagere scholen, hogere burgerschool, gymnasium, landbouwschool [= Hildesheim!] of dergelijke, maar, met het oog op zijn praktische bestemming, is er van eigenlijke studie geen sprake. Met die verworven, oppervlakkige kennis pronkt hij gaarne, vergetende, dat ten gevolge van het niet voortstuderen, het blijven staan op de eenmaal bereikte hoogte, zijn beetje wetenschap spoedig in het niet verzinkt tegenover die van hen, die zich meer in het bijzonder aan studie wijden en tegenover wie hij, in zijn aangeboren boerentrots, met een stalen gezicht, de enkele theorieën, die hij in zijn geheugen heeft geprent, als de grondslagen en het toppunt van alle wijsheid verkondigt, terwijl het gemis van iedere logische gedachtegang voldoende aantoont hoe het eigenlijk met zijn wetenschappelijke ontwikkeling gesteld is. Toch heeft dat schijnvertoon ten gevolge, dat hij zich een aureool van geleerdheid verwerft, dat een nieuwe prikkel wordt voor zijn trots en zijn ondraaglijkheid nog verhoogt.’ [56]

 

Ondanks het feit dat de overheid in Oost-Groningen de orde had hersteld, eiste de herenboer Boelo L. Tijdens uit Nieuw Beerta – hij komt in het volgende hoofdstuk nader ter sprake - in december 1892 verdergaande maatregelen van de regering ‘om aan de ondragelijke toestanden een einde te maken.’ Tijdens, lid van de Tweede Kamer, kreeg hierop van de liberale minister van Justitie Hendrik Jan Smidt (1831-1917), afkomstig uit Drenthe, te horen, dat wat in de regio Winschoten gaande was, bevestigde, ‘dat waar wind gezaaid wordt, storm wordt geoogst’.

 

Dit was tegen het zere been van Tijdens: ‘Ik moet tot mijn leedwezen zeggen, dat de Minister verband meent te moeten brengen tussen het optreden van de radicalen in het district Winschoten, waarvan hij natuurlijk mij als een representant beschouwd, en de onlusten die op dit ogenblik in dit district woelen.’ Hij en zijn partij hebben niet in het minst meegewerkt tot de bestaande woelingen en als er nu niet wordt ingegrepen zal er binnen enkele dagen regeringsloosheid in het district Winschoten heersen, aldus Tijdens.

 

Het dreigement van anarchie maakte geen indruk op de minister: ‘De geachte afgevaardigde heeft te mijnen aanzien woorden gebruikt, waarop ik niet wens terug te komen, omdat ik het beneden mij acht op gelijke wijze te repliceren. Maar ik wil alleen zeggen dat de Regering in de omstandigheden die zich voordoen in de provincie vanwaar de geachte spreker is afgevaardigd, volkomen gerechtigd is de aandacht te vestigen op en rekening te houden met de oorzaken, die dergelijke omstandigheden teweegbrengen. En wanneer ik iets gezegd heb in die richting, mag dit worden aangeduid zoals de geachte afgevaardigde het heeft gelieven op te vatten.’[57]

 


Hoofdstuk 4

Boelo ‘Bismarck’ Tijdens in de Tweede Kamer

 

De geldingsdrang van Boelo Luitjen Tijdens (1858-1904) uit Nieuw-Beerta, zoon van de herenboer Jan Jacobs Tijdens en Lucretia Boelema, mocht er wezen. Er was, zo lijkt het achteraf, bijna geen club of vereniging in Oost-Groningen of hij was er voorzitter van. En hij was al jong politiek actief, op het terrein van hervorming van het belastingstelsel en op het gebied van invoering van algemeen kiesrecht.[58]

 

Het lukte hem in 1885 niet om lid van de gemeenteraad van Beerta te worden. Een jaar later probeerde hij lid van de Tweede Kamer te worden voor het district Zuidhorn. Hij kreeg er twee van de 1020 uitgebrachte stemmen. [59] Maar in 1891 lukte dit hem wel voor het kiesdistrict Winschoten. Met moeite. Als radicaal-rechtse kandidaat versloeg hij na herstemming met 59,5% van de stemmen de oudgediende en landelijk gewaardeerde liberaal mr. Derk de Ruiter Zijlker (1835-1892). Tijdens bleef Kamerlid tot 1901.

 

Dat over Boelo L. Tijdens na zijn vroege dood in 1904 weinig is geschreven, hoeft geen verbazing te wekken. [60] Gedurende zijn relatief korte Kamerlidmaatschap nam hij een aparte positie in. Een eenmanspartijtje, volgens Knottnerus.[61] Behalve zijn kiezers, en zelfs die niet allemaal, leek niemand te begrijpen wat hem bezielde. ‘Radicaal van de vier windstreken’, schreef een socialistische krant in 1898 spottend.[62] Nu, een eeuw later, vinden sommigen het nog steeds moeilijk de politieke opvattingen van Tijdens te traceren.[63] Wat hij deed, lijkt hapsnapwerk, maar dat was het niet.

Want wie bij Tijdens thuis kwam, kon in een oogopslag zien wie zijn idool was: de Pruisische minister-president en Duitse Rijkskanselier Otto von Bismarck. Een portret van Bismarck hing boven zijn schrijfbureau.[64] De oude Bismarck kreeg, nadat hij in 1890 door keizer Wilhelm II was ontslagen, een mythische status bij de Junker, die zich hadden georganiseerd in de ‘Bund der Landwirte’. Op deze bond komen we nog terug.

 

Portret van de oude Bismarck, zoals dat bij Tijdens hing

Tijdens was een Junker, hoewel hij voor zover bekend zelf niet in Hildesheim geweest. Dit was ook niet nodig: de cultuur en de mensen van de Junker-exclave in het kiesdistrict Winschoten was zijn voedingsbodem wat opvattingen en achterban betreft. Tijdens‘ Junker-schap willen we illustreren aan de hand van verscheidene standpunten die hij heeft ingenomen. Deze betreffen anti-liberaal kapitalisme, antisocialisme, politie- en bedrijfslevenstaat, anti-intellectualisme, bestuur door ‘praktische mannen’, nationaal-economisch protectionisme, steden versus platteland, en binnenlandse uitbreiding van de landbouw. Wat in dit rijtje ontbreekt, is het leger. De belangstelling daarvoor lijkt bij Tijdens niet verder te zijn gegaan dan de remonte, namelijk de zorg dat legerpaarden van Nederlandse in plaats van buitenlandse fokkers en handelaren worden aangekocht.

 

Anti-kapitalisme. Dat de Oost-Groninger Hildesheimers tegen de kapitalisten waren, lijkt misschien vreemd. Maar de herenboeren zijn geen geldkapitalisten. Hun kapitaal is niet mobiel, maar zit vast, in land en boerderij. Tijdens was medio 1892 consequent door voor verhoging van de vermogensbelasting te zijn en verlaging van de grondbelasting te bepleiten. Hij vond de verhoging van de vermogensbelasting zelfs te laag. De conservatieve minister durfde niet meer dan 51/2% te eisen, zei Tijdens, maar hij had liever 12 of 15% gezien. [65] Hij meende dat de Kamer meer liefde had voor de kapitalist dan voor de grondbezitter. Tijdens: ‘Juist de grondbezitter staat hoger op maatschappelijk en zedelijk gebied dan de kapitalist. (…) De grondbezitter staat hoger omdat hij althans nog met de lagere delen der bevolking die hem en ook de kapitalist hun inkomsten moeten verschaffen, in aanraking komt, hun noden en behoeften, deugden en gebreken leert kennen en menigmaal hun leidsman is ten goede.’ Antikapitalistisch, het lijkt wel alsof een socialist aan het woord is. Dat is ook zo, alleen dan wel een aanhanger van Pruisisch socialisme, of jonkerheerschappij. [66] Met democratisch socialisme heeft Tijdens, zoals we dadelijk zullen zien, niets op.

 

Tijdens kreeg het verwijt, dat hij persoonlijk belang had bij de verlaging van de grondbelasting. Maar Tijdens bezat geen grond. In het Oldambt was hij als landgebruiker een beklemde meier. De grond was er in het bezit van de stad Groningen. Tijdens: ‘Nu moet ik zeggen dat ik zeer tot mijn leedwezen geen grondbezitter ben.’ [67] De hogere status van grondbezitter kreeg hij pas in 1899, door de aankoop van een stuk ontginningsgrond van 90 ha in Veelerveen. [68] Hij kocht dit pas toen de besluitvorming over de kanalisatie op een oor na gevild was en de stichting Eigen Haard van de Bond van Orde in 1898 in Veelerveen een stukje grond van 3,25 hectare had aangekocht om daarop kleine boerderijen te bouwen voor ‘oppassende werklieden’. Het perceel van Tijdens lag strategisch aan het nog te graven kanaal. In eigen beheer kwam hij niet verder dan een kleine proefontginning.[69]



Antisocialisme. Terug naar de ongeregeldheden van eind 1892 in het Oldambt. Deze waren koren op de politieke molen van Tijdens. Met zijn vriend notaris Arnold Hendrik Koning (1839 -1926) uit Finsterwolde richtte hij in februari 1893 de ‘Partij van Orde’ op.[70] ‘Er bestaat een partij van orde, die zich ten doel stelt met alle wettige middelen een partij te bestrijden, die de maatschappelijke orde wil omverwerpen. Zij zal trachten dit in de eerste plaats te doen door de werkeloosheid te doen verdwijnen, door 't verschaffen van productieve arbeid, door bandeloosheid tegen te gaan en door hen, die tot de partij behoren, te steunen boven hen, die tot de partij van wanorde behoren.’ [71] De naam van de partij was Duits. Partijen van orde, ‘Ordnungsparteien’, werden de behoudzuchtige partijen en verenigingen genoemd, die zich verzetten tegen de opkomende sociaaldemocratie. [72]
De partijen van orde beweren altijd dat de sociaaldemocraten de huidige maatschappij-orde willen vernietigen.
De vele dokters zullen de zieke heel zeker en zonder hulp het hoekje om brengen.


Tijdens vond het een triomf voor het radicalisme, dat tot de stichting van deze partij zou worden overgegaan.[73] We hebben eerder gezien, dat Tijdens dacht, dat minister Smid hem als representant van de radicalen in het district Winschoten beschouwde. Er waren allerlei mensen die zich van het etiket radicaal bedienden en er een eigen invulling aan gaven. Radicalisme betekent bij Tijdens: gelijk zijn aan de Deutschkonservative Partei van Bismarck. Dat hij van juli 1892 tot november 1892 lid van de program- en statutencommissie voor de oprichting van de Radicale Bond was, bleek een vergissing. Hij was geen democraat, wat zijn leeftijdsgenoot en leider van de Radicale Bond, Willem Treub (1858-1931), wel was. [74] Treub vond dat ook de socialistische richting in de Kamer vertegenwoordigd moest zijn. Om dit te bewerkstelligen stelde Treub zelfs zijn zetel van het district Schoterland, waarvoor hij gekozen was, ter beschikking. Tijdens walgde van de sociaaldemocraten. Door middel van de Partij van Orde wilde hij de zogenaamde vierde stand aan zich te binden, inkapselen, teneinde, zoals zijn vriend Koning zei, aan de sociaaldemocratie haar macht te ontnemen en om het volk het holle van haar theorieën te doen inzien.

 

Politie- en economisch bepaalde staat. Geheel in lijn met Bismarck wilde Tijdens van Nederland een politiestaat maken: ‘De partij (…) moest er ook vooral voor zorgen, dat geen enkel strafbaar feit voor politie en justitie bleef verzwegen.[75] Ook streefde hij een economisch bepaalde staat na: ‘De heer Tijdens, lid der Tweede Kamer, meent ook, dat men niet aan staatkunde moet doen in engere zin en vooral niet met verkiezingen zich bezighouden. Alle politiek dunkt hem immoreel en nimmer moet deze partij zich begeven in politieke combinaties.‘[76] Wat hij hiermee bedoelde, werd later opgepakt door zijn schoonzoon Tjark Bontkes met zijn actie voor een nationale economische vereniging. Deze opvatting, uit de koker van de Bund der Landwirte, wordt in hoofdstuk 7 besproken.

 


De politieke Partij van Orde kwam niet van de grond. Ze ging verder als ‘Bond van Orde door Hervorming’. Leden en sympathisanten van de Bond van Orde, bevreesd voor nieuwe wanordelijkheden, brachten individueel aanvankelijk wel enige verbeteringen aan, maar, aldus Landré, ‘een mens kan wel een kamer laten bouwen, een kachel en een lamp er in aanbrengen, maar hij kan zich zelf niet verbakken tot een geheel nieuw wezen en eer de oude Adam is uitgerukt uit de harten van het tegenwoordige geslacht zullen nog jaren moeten verlopen; eerst langzamerhand kan een akker geheel van onkruid worden gezuiverd.’ Het probleem waren de herenboeren zelf.



Oost-Elbië. ‘Er is een liberale stem uitgebracht. De schoolmeester krijgt vanaf vandaag geen aardappelen meer.’


Anti-intellectualisme. De knuppel die Tijdens daarna in het politieke hoenderhok van het Oldambt gooide, trof hem als een boemerang. In mei 1893 hield hij in Winschoten een toespraak over ‘de onderwijzer en de politiek’. Hij vond dat de onderwijzer zich in het belang van de gemeenschap buiten de politiek moest houden. [77]Willem Treub was ook aanwezig. Hij was het niet eens met Tijdens. Wat de discussie betreft, ‘de heer Tijdens antwoordt kort, doch wordt gedurig uitgelachen.’[78] Een deel van zijn Oldambster kiezers liet hem publiekelijk vallen. De kiesvereniging Algemeen Belang te Midwolda spreekt over de houding van Tijdens ‘in de laatste tijd, in ’t bijzonder van zijn houding in de vergadering van de Bond van Onderwijzers te Winschoten (…) ten zeerste haar afkeuring uit en is van mening dat de heer Tijdens sedert zijn verkiezing zodanig van zijn oorspronkelijk beginsel is afgeweken, dat hij als eerlijk man verplicht is, zijn mandaat te stellen in handen zijner kiezers.'[79]

 

Bestuur door ‘praktische mannen’. De volgende Kamerverkiezing in 1894 maakte Tijdens zo woedend, dat hij heel Nederland opriep een plebisciet te houden, in de vorm van een reuzen-petitionnement over de wijziging van de kieswet.[80] ‘Toe, laat Winschoten de stoot geven! Dat het de fout herstelle, die het Dinsdag heeft begaan door in plaats van met 2500 [van de 3000] stemmen mij met nog geen 1000 naar 't Binnenhof te sturen.’ Hij vervolgde: ‘Roep gij daartoe de voorstanders in een der grootste lokalen bijeen. Ik twijfel niet, of we zullen dra die weifelaars in tweede of eerste kamer met een miljoen voorstanders kunnen bestoken en door gelijk aantal de kloeke regentes steunen in haar echt constitutionele zin. Meer dan ooit is dan nodig, dat beide machten [Regentes en Eerste Kamer] weten, hoe het Nederlandse volk de beslissing wenst. [81]

 

Het is autocraten, links of rechts, eigen te beweren, dat zij weten wat het volk wil. De rol die Tijdens aan de regentes koningin Emma toebedeelt, maakt duidelijk dat hij net als Bismarck c.s. monarchistisch was. Het reuzen-petitionnement bleef uit. Ook de kieswet haalde het niet. In 1896 stemde Tijdens tegen de kieswet van Van Houten, die in 1896 het kiesrecht wel aanzienlijk uitbreidde en de deur naar algemeen kiesrecht openzette. Deze stap bracht toch al meer representatieve democratie via de stembus? Dat was niet de bedoeling van Tijdens. Hij verwachtte van het oorspronkelijke voorstel dat ‘praktische mannen’, dat wil zeggen onafhankelijke personen die niet aan een politieke partij gebonden zijn en niet theoretisch zouden doen, het land zouden gaan besturen. [82]

 

Nationaal-economisch protectionisme. Burgers in zijn kiesdistrict merkten, dat ze met Tijdens een kat in de zak hadden gekozen. ’Velen zijner kiezers zijn het niet meer met hem eens. De Winschoter Ct., die zich tot tolk der ontevredenen maakt, valt hem hard over velerlei dingen.’ [83] Discussie met hen ging hij uit de weg. In plaats daarvan ging Tijdens op zoek naar nieuwe kiezers. ‘De heer B. L. Tijdens (…) beijvert zich om het protectionisme meer en meer ingang te doen vinden, wat natuurlijk geheel ligt in de lijn, door deze boerenafgevaardigde ter Tweede Kamer gevolgd. Het oordeel der burgerij over hun vertegenwoordiger Tijdens is evenwel reeds lang gevestigd: verpeuteren behoeft hij het niet meer.’[84]

 

Om zijn thuisbasis weer op peil te brengen koppelde Tijdens zijn Oldambster boeren aan protectionistische industriëlen en zakenlieden. Naar het identieke Duitse voorbeeld van ‘Sammlungspolitik’ onder Bismarck. De koppeling liep gesmeerd. Zijn verbindingsman was Jan Doornbosch (1839-1909), landbouwer en burgemeester van Baflo. Doornbosch was voorzitter van de in 1888 opgerichte Nederlandsche Protectionistische Landbouwvereeniging. De doelstelling van deze vereniging was het verkrijgen van invoerrechten op vreemde graansoorten. [85] De vereniging van Doornbosch was feitelijk de landbouwafdeling van de in 1888 opgerichte Algemene Bond ter bescherming van de nationale fabrieks- en landbouwnijverheid, kortweg Bond voor de Nationale Arbeid genoemd. Naar Duits voorbeeld uit 1876, ook wat de naam betreft, namelijk het ‘Centralverband Deutscher Industrieller zur Förderung und Wahrnehmung nationaler Arbeit.’

 

Protectionistische agrariërs en grootindustriëlen, ze waren allemaal broeders in Bismarck.[86] H.G.L. (Louis) Regout (1832-1905) uit Maastricht, Eerste Kamerlid en voorman in de Bond voor de Nationale Arbeid verklaarde in 1892: ‘Sedert Duitsland in 1871 de grote overmacht op staatkundig gebied in Europa verkreeg, wilde het zich die ook op industrieel gebied verzekeren, en daartoe voerde graaf Von Bismarck een hoog tarief in. Daardoor werd de nationale arbeid in de volste zin des woords verzekerd; alles wat in Duitsland bewerkt werd, was nodig voor de aanwas der bevolking; men kon niets missen. Dit had ten gevolge, dat Duitsland de eerste macht werd ook op industrieel gebied.’ [87] De Groninger industrieel Jan Evert Scholten (1849-1918) uit Groningen was een van de twee vicevoorzitters van de Bond voor Nationale Arbeid. [88]

 

Hoe werden de Groninger boeren ingelijfd? In september 1896 werd te Groningen een Boerenbond opgericht, met als voorzitter H. J. Onnes te Beerta en als bestuursleden J. Doornbosch te Baflo, J. Roelofs te Finsterwolde, B. L. Tijdens te Nieuw Beerta en A. A. Lubberts te Nieuw Beerta. ‘De Bond heeft ten doel de belangen van de nationale arbeid te bevorderen, vooral door uitbreiding der Staatsbemoeiing op economisch gebied. [89] De bond werd spoedig omgedoopt tot Noordelijke Boerenbond, om vervolgens te worden tot ‘Vereeniging ter bevordering van den Nationalen Arbeid’, gevestigd te Utrecht. [90]

 

Steden versus platteland. De Hildesheimer ideologie dat het platteland lijdt onder de steden, werd niet onder stoelen of banken gestoken. ‘Volgens de voorzitter [Doornbosch] bedoelt deze bond de bevordering der belangen van alle bewoners van het platteland, en is daarom hun parool, bij verkiezingen van volksvertegenwoordigers op te komen voor alle takken van nationalen arbeid en te waken voor overheersing der steden over de dorpen. Voor dit doel hadden zich reeds 440 leden aangegeven en waren in deze provincie [Groningen] een zestiental afdelingen gevormd.’ [91]

 

De verkiezingsopzet van Tijdens slaagde. ‘De centrale Vereniging tot bevordering van de Nationale Arbeid in het district Winschoten heeft de heer B. L. Tijdens kandidaat gesteld voor het lidmaatschap der Tweede Kamer.’[92] Bij de herstemming won hij nipt. Hij kreeg 50,7% van de stemmen, zijn tegenstander, de sociaaldemocraat Henri Hubert van Kol (1852-1925) 49,3%. ‘Te Groningen was Dinsdag j.l. de graanmarkt iets hoger, ten gevolge waarvan Woensdag de prijs van het brood verhoogd werd met 1/2 cent per kilogram. Een kiezer te Beerta bracht dit laatste in verband met de verkiezing van den heer B. L. Tijdens en riep verontwaardigd uit: Daar heb je 't al: pas is Tiedens kozen of 't brood is duurder.’[93]

 

Binnenlandse uitbreiding van de landbouw. De naam Tijdens is verbonden aan de kanalisatie van Westerwolde. Tijdens was voorzitter van de in 1892 opgerichte ‘Vereniging ter bevordering van de kanalisatie van Westerwolde’. Zijn belangstelling voor deze kanalisatie was geen toeval. De Oldambster boeren hadden er last van, dat het water van het hoger gelegen Westerwolde naar de Dollard stroomde. De kanalisatie van Westerwolde was gericht op het Oldambt.[94] Al in 1885 had Tijdens het druk met de Oldambster waterstaat. Als afgevaardigde van de afdeling Nieuwe Schans van de Schippersvereniging Schuttevaer stelde hij voor het Zuidoosterrak van de Dollard door te graven. [95] In 1893 bracht hij andere waterstaatkundige plannen ter tafel. ‘De afdeling Nieuw-Beerta van den "Bond van Orde" [Tijdens was afdelingsvoorzitter] heeft een commissie benoemd tot het onderzoeken van een plan tot kanalisering van de Schanskerdijk: over een lengte van een half uur gaans van Drieborg tot Nieuwe-Schans. Voor de behandeling van een ander plan: het graven van een kanaal van de Reiderwolderpolder naar het Winschoterdiep een afstand van ongeveer 3 uur, zijn belangstellenden samengeroepen.’[96]

 

Ook als politicus had Tijdens alle belang bij de kanalisatie. Werkverschaffing voor werkloze landarbeiders moest hen uit handen van de socialisten houden. Maar zijn streven was ook meer en beter land voor de landbouw te krijgen. [97] Dit blijkt uit de interpellatie van Tijdens in de Tweede Kamer in 1892. [98] Westerwolde, zegt hij, heeft ‘tijdelijk overstroomde gronden, waardoor van intensieve landbouw geen sprake kan zijn. Welnu, door het graven van kanalen, die tevens de waterafvoer regelen, zal men deze dalgronden een ongekende mate van vruchtbaarheid geven. (…) Deze bodem treft men aan (...) op Westerwolde.’ Maar Tijdens stopt hier niet. Hij wil onmiddellijk de gehele Dollard inpolderen en de Zuiderzee droogleggen. Fluitje van een cent, gewoon beginnen, overeenkomstig de zelfoverschatting die Landré al had beschreven. Tijdens: ‘Niets is eenvoudiger dan dat. Men grave sloten in lengte en breedte over de gehele oppervlakte, wat wel is waar tijwerk is, maar toch gemakkelijk te volvoeren ; men scheppe die jaarlijks uit en binnen een 10 jaren is de gehele Dollard met een laag slib bedekt.’[99] Dat er al een Zuiderzeecommissie onder leiding van minister Lely aan het werk was, sprak hem niet aan.Maar waar, zoals hier, de nood dringt, had ik liever gezien, dat de Zuiderzee niet commissoriaal was gemaakt, maar dat men onmiddellijk met het werk was begonnen.’ De in de steden overtollige bevolking zal zich verplaatsen naar die streken waar de grote werken worden uitgevoerd, aldus Tijdens.

 

Besluiten we dit hoofdstuk met het bijschrift bij de foto van Tijdens, die aan het begin van dit hoofdstuk is weergegeven. De tekst luidt: ‘In het gemoed van de boer sluimert het zelfbewustzijn en de fiere kracht van de waarachtige patriot. Zijn innige verbondenheid met de bodem heeft een gehechtheid daaraan doen ontstaan, die is samengegroeid met zijn eigen leven. Deze gehechtheid te bestendigen en te ontwikkelen is staatsbelang’.[100] Kortom: boer, bloed, bodem, staat.

 


Hoofdstuk 5

Vrijzinnige boeren in de partijpolitiek

 

Zonder steden is er geen verheerlijking van platteland en van natuurvolkeren. De ophemeling ervan berust, zo schreef Marie Prinsen in 1934, ‘op eenzelfde menselijke neiging en eenzelfde menselijk verlangen: om door zoete illusie en bekoorlijke fantasie aan de twijfelachtige profijten der realiteit te ontkomen. De Natuur is te allen tijde slechts wat de mens in haar zien wil. Zo zijn ook bossen, weiden en velden, herders en boeren slechts lijdelijk object voor de vormende geest van de kunstenaar, evenals deze op zijn beurt weer min of meer passief de geest van zijn tijd ondergaat.’ [101]

 

Maar terwijl de mens zelf niet verandert en biologisch nog dezelfde is als in de Oudheid, streeft hij er voortdurend naar het zichzelf in het dagelijks leven steeds gemakkelijker en aangenamer te maken, daarbij creatief voortbouwend op wat voorgangers al met vallen en opstaan hebben bedacht en gemaakt. De ontwikkeling van het wetenschappelijk denken, onderzoek en technische innovaties brachten vanaf het einde van de achttiende eeuw grote veranderingen teweeg. Door de industriële revolutie verloor de binnenlandse landbouw haar eerste plaats als bron van bestaan. In Nederland was er weinig aandacht voor de landbouw, ofschoon 44% van de mannelijke beroepsbevolking in 1849 nog in de landbouw werkte.[102]

 

De positie van de landadel in Duitsland werd zwakker en de boeren kregen te maken met internationale concurrentie, handels- en industriekapitalisme en de trek van geknechte landarbeiders naar het werk in industrie en steden.[103] Landbouwstaat óf industriestaat, een van beide zou gekozen moeten worden, meenden de Duitsers, en dan vooral de Junker, wier keuze al onwrikbaar vaststond.

 

De ontwikkeling naar een democratische staatsvorm vlotte er niet. Voorrang had de vorming van de Duitse eenheidsstaat, nationalisme. Het individu is er voor de staat, de staat niet voor het individu. Terwijl de regering in Nederland zich niet met een bepaald deelbelang, met een enkele belangengroep identificeerde en niet partijdig was, was het in Duitsland normaal dat de belangengroep die de staat beheerste, de hele bevolking beheerste. Pas met de vorming van de Bondsrepubliek Duitsland in 1949 kreeg (West) Duitsland een democratisch bestel.

 

Nederland had een totaal andere geschiedenis. De Franse revolutie veroorzaakte in Nederland, die met de Bataafse Republiek al een eenheid was geworden, staatkundig een politieke terugval: de republiek maakte plaats voor een autoritaire monarchie. Koning Willem I regeerde als alleenheerser. Pas in 1848 werd Nederland een burgerlijke, maar beslist nog geen algemene democratie. Nederland was in de negentiende eeuw een standenmaatschappij met verschillende politieke stromingen onder welgestelden (liberalen, conservatieven, antirevolutionairen). Door het censuskiesrecht maakten de rijkeren, ook de landbouwers onder hen, de dienst uit. De elite regeerde. Zij waren echter nog niet (landelijk) georganiseerd. Er waren alleen lokaal politieke verenigingen (kiesverenigingen), die vooral een rol speelden bij verkiezingen. Die werden tot 1917 in afzonderlijke kiesdistricten gehouden. De eerder genoemde Geertsema was nog een voorbeeld van de elite van liberale of vrijzinnige Groninger herenboeren, die Groningen en de landbouw in het parlement vertegenwoordigden.

 

In de tweede helft van de negentiende eeuw veranderden de maatschappelijke machtsverhoudingen onder invloed van bepaalde politieke thema's, zoals de confessionele verzuiling, uitbreiding van het kiesrecht en de positie van arbeiders. Rond 1880 ontstonden de eerste politieke partijen. Niet iedereen accepteerde dit. Zo snoerde voorzitter Koning in de eerste vergadering over de Partij van Orde, in februari 1893 in Winschoten, de aanwezige sociaaldemocraten de mond. Daarop stelde de landbouwer Aalderieks Busscher (1865-1956) uit Stadspolder de vraag of het denkbeeld van samenstelling van een Partij van Orde ontstaan was uit vrees of uit humaniteitsgevoel. Busscher hoopte het laatste, maar hij had dit niet in de inleiding van de heer Koning kunnen ontdekken. Hij kon zich niet met de houding van Koning niet verenigen, ‘omdat die z. i. in strijd was met de beginselen van vrijheid en gelijkheid, die ook door de Partij van Orde moeten worden geëerbiedigd.’

 

Zich opmakend en voorsorterend voor het algemene en vrije kiesrecht dat zeker zou komen, verscheen een groot aantal partijen en lijsten op basis van specifieke belangen en beroepsgroepen aan het politieke firmament. Daaronder ook de kleine boeren, die tussen het laken van de grootgrondbezitters en grote boeren en het servet van de arbeiders zitten.

In Zuid-Nederland ontstond een rooms-katholieke of ‘christelijke’ emancipatiebeweging van kleine boeren. [104] Deze beweging, leidend tot een ‘christelijke’ boerenbond, werd binnen de algemene rooms-katholieke verzuiling ingekapseld. De kleine boeren van antirevolutionaire huize werden binnen hun eigen zuil georganiseerd.

 

Echter, vrijzinnige of neutrale kleine boeren waren zuilloos en daardoor politiek dakloos. Daarom pleitte Pieter Teunissen (1860-1939), landbouwjournalist van De Courant Nieuws van de Dag, al voor 1900 voor een agrarische partij.[105] Dit leidde in 1911 tot de oprichting van de Nederlandsche Landbouwersbond. Voorzitter van de bond werd G.J. de Bruijn, landbouwer en burgemeester te Vuren. Teunissen werd secretaris en redacteur van De Plattelander. Arend Braat uit Hekelingen was een van de vier overige bestuursleden. Terwijl de provincies Noord- en Zuid-Holland, Zeeland, Utrecht en Gelderland in het bestuur vertegenwoordigd waren, schitterden de gebieden met potentieel verreweg de meeste sympathisanten, namelijk eigenerfde boeren van de zand- en veengebieden in Noord-Nederland, door afwezigheid.

 

In de oprichtingsvergadering van deze bond kwam meteen een essentieel verschil van inzicht aan het licht. De herenboer Stephen Willem (‘Willy’) de Clercq (1878-1938) uit de Haarlemmermeer, die in Wageningen had gestudeerd en later ook de ontginner van het Hebrecht in Westerwolde werd, mikte op een buitenparlementaire vakbeweging van boeren, een politieke pressiegroep. [106] Hij was kennelijk op de hoogte van wat er bij de Junker in Duitsland gaande was. Maar die kant ging het niet op. Teunissen en de later zeer bekend geworden Braat (1874-1947) wilden een politieke boerenpartij in het parlement. En dat gebeurde. Twee nog wel: Plattelandersbond en Plattelandspartij.

 












Zoals bekend werd in 1917 het algemeen kiesrecht voor mannen en het passief kiesrecht voor vrouwen ingevoerd en werd het districtenstelsel vervangen door het systeem van evenredige vertegenwoordiging. In 1919 kregen de vrouwen ook het actief kiesrecht. Het politieke speelveld wordt opgeschud. Opvallend is de teruggang van en verdeeldheid onder de ‘liberalen’. Hun oorspronkelijke progressiviteit had deels plaats gemaakt voor een autoritair-rechtse opvatting. Aanhangers hiervan vormden naderhand de Liberale Staatspartij ‘De Vrijheidsbond’. Liberalen die progressief waren, verenigden zich in de Vrijzinnig Democratische Bond.

 

De in 1917 opgerichte Plattelandersbond, waarvoor de Twentenaar Frederik Bos in 1918 een Kamerzetel behaalde, was de grootste boerenpartij. Bos gaf er in 1919 de brui aan en werd vervangen door de spraakmakende nummer 2 van de lijst, Arend Braat. Niet de voorkeur van Bos, die liever gezien had dat de nummer 3 van de lijst, de Groninger Klaas Dilling, hem zou opvolgen. Teunissen werd secretaris van de Plattelandspartij van Edsge Marten Teenstra (1873-1958), West-Groninger landbouwer en ex-Kamerlid voor de Vrijzinnig Democratische Bond. Maar deze partij werd geen succes. Teunissen sloot zich later alsnog bij de Plattelandersbond aan.

 

Nog even terug naar De Clercq. De Clercq stapte in 1917 van de Liberale Partij over naar de nieuwe Economische Bond van Willem Treub, Treub kwamen we eerder tegen als voorzitter van de progressieve en democratische Radicale Bond en als opponent van Boelo. L. Tijdens. De Economische Bond ging in 1921 op in de conservatieve Liberale Staatspartij De Vrijheidsbond.

Naar De Clercq is de S.W. de Clercqweg in het Hebrecht genoemd. Hij was medeoprichter, commissaris en van 1919 tot 1936 directeur van de N.V. Landbouw Maatschappij ‘Westerwolde’, gevestigd te ’s Gravenhage (1913).[107] Een particuliere investeringsmaatschappij die in 1914-15 het Hebrecht liet ontginnen, zeshonderd hectare woeste grond, die ze in 1934 moest laten herontginnen.[108] Het Hebrecht deed hem financieel de das om. [109] Vrij snel draaide alleen de familie De Clercq op voor de investeringsmaatschappij, die door de grootse opzet en de ongunstige economische omstandigheden na de Eerste Wereldoorlog in financiële problemen raakte. Toen De Clercq stierf, was de financiële problematiek nog niet opgelost.

 

Voor een goed begrip: In de periode 1922-1940 hadden de confessionele partijen en de socialisten meer dan 77 van de 100 zetels in de Tweede Kamer in handen. De vrijzinnige eigenerfde boeren op klei, zand en veen in Drenthe en Groningen zaten bij verschillende kleine partijen. [110] Dat ze niet in één partij zaten, had te maken met onderlinge standsverschillen. De herenboeren zaten traditioneel bij de conservatieve, deels reactionaire Liberale Staatspartij de Vrijheidsbond, progressieve herenboeren bij de Vrijzinnig-Democratische Bond en vrijzinnige kleine boeren bij de Plattelandersbond.

 

De Plattelandersbond had van 1918 tot 1933 steeds minstens één zetel in de Tweede Kamer, voornamelijk dankzij zijn noordelijke kiezers. De partij kende tussen 1918 en 1923 jaren van opgang. Daarna volgde een langdurige episode van interne conflicten en scheuring. Om de neergang te stoppen werd de electorale oriëntatie verbreed door de oprichting van de Nationale Boeren-, Tuinders- en Middenstandspartij (NBTM-partij). Deze kreeg in 1933 een Kamerzetel. Braat verliet de partij in 1934. Zijn kiezers lieten er geen traan om. Zoals we straks zullen zien, waren zij al in de ban gekomen van een nieuwe belofte, vertolkt in een nieuwe organisatie: de Nationale Bond Landbouw en Maatschappij (L&M). [111]

 


Hoofdstuk 6

De onvervalste Junker Derk T. Barlagen  

 

De zetel van het kiesdistrict Winschoten kwam in 1901 in handen van dr. Dirk Bos (1862-1916) Bos, onderwijsman, anti-protectionist en medeoprichter van de Vrijzinnig Democratische Bond (VDB), was de tegenpool van Boelo Tijdens. Als fractievoorzitter van de VDB probeerde Bos in 1913 een kabinet te vormen waarvan ook de sociaaldemocraten deel uitmaakten.

 

Derk Tonko Barlagen Bron: internet, Album Dallinga de Groot

In 1907 werd de wet op de collectieve arbeidsovereenkomst aangenomen. In het Oldambt werden de machtsverhoudingen in het landbouwbedrijf op de proef gesteld: door middel van werkstakingen. De zogenaamd ‘moderne’ vakbeweging van de arbeiders begon zich, aldus de landbouwer en landbouwhistoricus Nanno Gerhard Addens (1892-1971) uit Bellingwolde, ‘voor het eerst ook in de landbouw te laten gelden en wel in deze provincie, met name in het Oldambt, waar haar optreden tot arbeidsconflicten aanleiding gaf. Aanvankelijk stonden hier in de loonstrijd tegenover de georganiseerde landarbeiders de landbouwers ongeorganiseerd, doch als spoedig won onder hen het gevoelen veld, dat tegenover het gezamenlijk optreden van de arbeiders eveneens een organisatie der werkgevers moest staan, die een noodzakelijk tegenwicht zou kunnen vormen.’[112]

 

De herenboeren voelden nattigheid. ‘Tot heden waren het overal in het Oldambt de landbouwers, en zij alleen, die de lonen der veldwerkers vaststelden; de arbeiders spraken daarbij zoo goed als niet mee; zij moesten zich tevreden stellen met hetgeen hun werd toegekend, doch nu beginnen ook zij mee te spreken en daarover gaat thans de strijd. Bijna geen enkele landbouwer heeft bezwaar tegen de gevraagde loonsverhoging, doch zij willen de macht in handen houden. De kleine landbouwers, die hun landerijen in niet geringe mate hebben bezwaard of veel land hebben gehuurd, zijn, omdat zij hun „ongelden" op tijd moeten betalen, wel bereid toe te geven aan de eisen der arbeiders. Als hun gewassen gedeeltelijk onder het onkruid verstikken en alzo niet genoeg opleveren, zullen zij hun schulden niet op tijd kunnen betalen en in moeilijkheden geraken. De rijke landbouwers daarentegen hindert het niet, dat zij een jaar weinig van hun landerijen trekken. Zij zijn het, die niet willen weten van toegeven en die toenadering tussen de strijdende partijen tegenhouden.’[113]

 

Aan werkgeverskant was de hoofdrol weggelegd voor de Hildesheimer Derk Tonko Barlagen (1865-1941), geboren in Nieuwolda, zoon van de herenboer Tonko Harms Barlagen en Eetje de Groot, en nu boerend in de Reiderwolderpolder. Met 225 hectare, waardoor hij in de hoogste Oost-Elbische categorie van Rittergut viel. In de stijl van de Oost-Elbische Junker riep Barlagen bij oprichting van de Oldambster landbouw-werkgeversorganisatie uit, dat de bond ‘voor de arbeiders een schrikbeeld zal zijn.’

 

Deze organisatie, bestaande uit plaatselijke afdelingen en formeel ‘Bond van Werkgevers in het Landbouwbedrijf’, gevestigd te Winschoten, geheten, was als zodanig de eerste in Nederland. Later werden er in de Veenkoloniën (1916), op het Hoogeland (1917), in het Westerkwartier (1918) en in de Marne (1919) gelijksoortige regionale werkgeversorganisaties opgericht.

 

De doelstelling was volgens de statuten: ‘zodanige arbeidstoestanden te verkrijgen, dat de landbouwer een regelmatige en onbelemmerde uitoefening van zijn bedrijf, de arbeider een behoorlijk loon gewaarborgd werd.’ Machtshandhaving. Geld genoeg, maar elke cent die ongewild aan een arbeider werd gegeven, werd beschouwd als erosie van de Junkermacht.

 

Barlagen, hard, grof en direct, werd in 1914 voorzitter van deze bond en bleef dit tot 1930. De Junkermethode. Wie niet horen wil, moet voelen. Wie niet accepteert wat hem of haar wordt aangeboden, de knoet erover. Inschakeling van politie en militairen. Stakers moesten de rechter inschakelen om te voorkomen dat ze door boeren uit hun woning werden gezet.

Een van Barlagens bijnamen was boerentsaar. Voor socialisten was het Russische tsarendom hetzelfde barbaarse en veroverende verschijnsel als de specifiek Pruisische opperheerschappij in Duitsland, die samenviel met de Pruisische jonkerheerschappij.[114]

 

Barlagen onderhield nauwe contacten met Junker in Pruisen en schroomde niet hun bijstand in te roepen om landarbeidersstakingen te breken. In 1914 haalden de werkgevers zelfs 300 werklozen uit Berlijn. ‘Meermalen probeerde D.T. Barlagen zelfs paramilitaire knokploegen uit Duitsland te halen. Een van de leiders van de extreem-rechtse Stahlhelm kende hij uit zijn studietijd in Hildesheim.’[115] Volgens Barlagen was er wat het volhouden van de langdurige landarbeidersstaking in 1929 betreft geen vuiltje aan de lucht. Er was voldoende hulp van werkwilligen. ‘Boerenzoons uit alle delen van het land en uit Duitsland, Friese landarbeiders en studenten uit Hildesheim, Hannover en Göttingen.’[116]

 

De ideologische retoriek van Barlagen verschilde niet van die van de Bund der Landwirte. Terwijl er economisch voor de Oost-Elbische Junker geen enkel probleem was, bleven ze niet klagen, maar schreeuwen, dat ze aan de rand van de afgrond stonden. Wat niet waar was, maar wat ze zo vaak en luid herhaalden, dat ze grof verdienden aan onterecht genomen overheidsmaatregelen.

 

Barlagen deed niet anders. ‘En toch klagen de georganiseerde boeren steeds, dat de resultaten van het bedrijf de gevraagde lonen niet gedogen. 't Zal uitlopen op 'n bankroet voor de landbouwer en op werkloosheid voor de arbeider! Zo niet direct, dan toch in de toekomst. De grootgrondbezitter D. T. Barlagen, te Reiderwolderpolder, voorzitter van den Oldambtster Werkgeversbond, waarschuwt dan ook op alle conferenties voor die toekomst. Nu geen hoge lonen, want zie je, straks komt de economische inzinking! Met 't oog daarop moet de landarbeider zich nu al meer dan ooit tevoren ‘bekrimpen’, opdat de boer ’binnen’ is, als die depressie komt!’ Ja, zegt de journalist, de heren menen het wel goed. Reeds meermalen is in dit blad met feiten en cijfers aangetoond, dat het landbouwbedrijf in de laatste jaren grote winsten heeft afgeworpen.[117]

 

Barlagen genoot van de machtsstrijd met de vakbonden en zijn weinig fijnzinnige bejegening van zijn opponent van de Landarbeidersbond, Jan Hilgenga. Essentieel voor hem was zijn machtspositie onder de boeren, tenminste in Groningen. Hij was de Napoleon van de laagste uurlonen voor landarbeiders en arbeiders in de strokarton- en aardappelmeelfabrieken. Zijn ware moment van glorie kwam in 1921.

 

De Groninger Maatschappij van Landbouw (GML) heeft de vraag gesteld: Beantwoorden de thans bestaande werkgeversorganisaties op landbouwgebied aan het doel, waarvoor zij zijn opgericht? Moet er iets aan veranderen? Een commissie van drie uit de afdeling Beerta van de GML brengt advies uit. De drie zijn Barlagen, de herenboer en gedeputeerde Fekko Ebel Hajo Ebels (1878-1951) en de herenboer en geleerde dr. Jan Gerhardus Oortwijn Botjes (1878-1964).

 

Barlagen wil geen verandering, behalve het sterkste mandaat van de herenboeren. Met Ebels en Oortwijn Botjes is hij graag van mening dat het lidmaatschap van de werkgeversorganisatie verplicht moet zijn. Maar ze botsen bij de vraag: zou je bij de onderhandelingen met de vakbonden niet moeten uitgaan van de werkelijke bedrijfsresultaten? Ebels en Oortwijn Botjes vinden dat het loonpeil in een goede verhouding moet staan tot de bedrijfsuitkomsten en dat die openbaar moeten zijn. Barlagen wijst deze koppeling af. Het loonpeil moet in goede verhouding staan tot de prijzen der levensbehoeften in het algemeen, zodat aan de werknemer zo mogelijk een behoorlijk bestaan gewaarborgd kan worden. Alleen in kleine kring kunnen zo nodig officiële boekhoudingen worden gebezigd, aldus formuleert Barlagen zijn onwil, maar met bedrijfsuitkomsten moet je niet te veel rekening houden. Barlagen wil ook geen bemiddelaar bij arbeidsconflicten, Ebels en Oortwijn Botjes wel. Wat Ebels en Oortwijn Botjes, twee vooraanstaande figuren in de GML, ook betogen, het minderheidsstandpunt van Barlagen wordt in de GML-vergadering met grote meerderheid van stemmen aangenomen.[118]






Derk Tonko Barlagen

1929

Bron:. Piet Hoekman e.a., Een eeuw socialisme en arbeidersbeweging in Groningen 1885-1985, blz.180.

Barlagen had geld noch moeite gespaard om de beruchte landarbeidersstaking van 1929 in het Oldambt te winnen. Daarna trad hij in 1930 af. Zijn opvolger is zijn secondant Berend Menso Takens (1886-1982) uit Meeden. De landarbeiders in het Oldambt incasseren dan de loonsverhoging, die ze het jaar ervoor niet hadden gekregen en lopen hun loonachterstand eindelijk in. De jaren van de grote economische crisis zijn begonnen. De depressie kwam en de herenboer klaagt alsof hij niet ‘binnen’ is. Hij wil overheidssteun en de arbeider moet zoveel mogelijk bekrimpen. De zich nog voordoende loonconflicten nemen niet weg, dat de bestuurders van zowel boeren- als landarbeidersorganisaties steeds meer gaan samenwerken. De herenboeren kregen de politieke steun van de arbeiders voor hun landbouwcrisismaatregelen en als beloning werden de loonsverlagingen beperkt gehouden. In 1933 kwam het Crisisorganisatiebesluit tot stand, waardoor via een arbitrageregeling de cao’s werden geharmoniseerd en kleinere landbouwers-werkgevers de herenboeren moesten volgen.

 

Takens en Jan Hilgenga (1883-1968), broodbakkerszoon uit Midwolda, vanaf 1916 districtsbestuurder van de Nederlandse Landarbeidersbond, overlegden zoveel mogelijk. Ze bleven overleggen nadat ze door Duitse bezetter waren ‘gelijkgeschakeld’. Hilgenga was in 1938 opgeklommen tot voorzitter van de Landarbeidersbond. Van de 35000 leden van zijn NVV-bond ging in 1942 zeventig procent mee over naar het Nederlands Arbeidsfront van de NSB.[119] Takens was tijdens de bezetting voorzitter van de Landelijke bond van werkgevers in het landbouwbedrijf.

 

Hilgenga kon niet bij de begrafenis van Barlagen in 1941 in Finsterwolde zijn. Hij stuurde zijn medebestuurder J. Pietersen uit Groningen. Hilgenga schreef in zijn bondsblad: ‘De eerlijke tegenstander zullen wij in de heer Barlagen blijven eren en waarderen.’[120] Hij zal er ‘eenduidig’ mee hebben bedoeld. Hilgenga had vanaf 1913 direct met Barlagen te maken gehad en zich feitelijk steeds naar ‘zijne majesteit van de Reiderwolderpolder’ gevoegd.

 

Tegenover hem stond een groepering landarbeiders die dit nooit zou verkroppen. De communistische tegenstanders van de sociaaldemocraat Hilgenga lieten zich niet door Barlagen in de luren leggen. Zij herhaalden in 1920 in feite wat Landré bijna dertig jaar eerder had opgemerkt: ‘De Groninger boeren - inzonderheid die uit het oostelijk deel der provincie - zijn, zoals bekend is, uit hetzelfde hout gesneden als de Pruisische jonkers. Verwaand, dom-trots isoleren zij zich in hun protserige woning-paleizen, minachtend allen die niet van hun natie zijn, niet tot de orde der herenboeren behoren en trappend met de hakken en sporen van hun hoge rijlaarzen, op de door hen gesmade en geminachte landarbeiders, vooral indien deze acties op touw zetten voor lotsverbetering. Men moet die heren met hun met goud beladen zoons en dochters in hun modern opgesmukte binnenkamers over die nooit voldane arbeiders onderling horen spreken!’[121]

 

De eisen van de arbeiders waren zeer, zeer matig, vervolgde ‘Opmerker’ in De Tribune, en wat is nu het antwoord der rijke Groninger boeren daarop? ‘Dit: „de lonen van 1919-'20 blijven gehandhaafd voor 1920-'21, met bestendiging verder van bestaande gebruiken en gewoonten." Dit wil dus kort en bondig zeggen, er komt geen verandering, wij verbeteren niets en wij hebben met al die eisen van die landarbeiders niets te maken, zij hebben genoegen te nemen met wat de Barlagen's hun dicteren.’ 

 

De Duitse pers in Nederland schreef in 1941 over Barlagen, dat hij de oprichter was van de werkgeversorganisatie voor het landbouwbedrijf en leider van de herenboeren (’Großbauer’) in de strijd tegen de organisaties van landarbeiders in de troebele tijd van de klassenstrijd. Met karakter en wilskracht gold hij, volgens deze krant, als de ijverigste verdediger van de agrarische belangen toen het boerendom naar de achtergrond gedrukt werd. [122]

 

Dit was ideologisch de spijker op zijn kop. Volgens de Junker, de Bund der Landwirte en de nationaalsocialisten zijn de agrariërs de ruggengraat van de staat. Van hun staat, die per definitie geen sociaal conflict tussen werkgevers en werknemers kent. Harmonie, allemaal een, onder een opperherenboer als autocratische leider, is de leer. Boeren en landarbeiders zijn geen tegenstanders, wel de zelfstandige vakbonden. De nog te bespreken Nationale Bond Landbouw en Maatschappij hanteerde dan ook de opvatting, dat boeren en hun arbeiders zich samen tegen de vakbonden en ondernemers in de industrie moesten richten. [123] Om dit fascistische of nationaalsocialistische standpunt te verduidelijken, zullen we het nu eerst over Bontkes en daarna over Jan Smid hebben.

 


Hoofdstuk 7

Junker-strateeg Tjark E. Bontkes

 

Hoewel de Oost-Groninger Jan Smid meestal in een adem wordt genoemd met Nationale Bond Landbouw en Maatschappij (L&M), was deze bond in strategisch opzicht het werk van Tjark Eltjo Bontkes. Bontkes had tenminste al sinds 1917 gehamerd op de noodzaak van wat hij een nationale economische vereniging noemde. Om deze reden moeten we hem nu eerst in beeld brengen. Jan Smid komt later aan bod.

 Bontkes werd in 1885 geboren in Finsterwolde. Zoon van de landbouwer Jan Bontkes (1854-1938) en zijn vrouw Sietske Addens (1856-1886) uit Bellingwolde. Tjark was anderhalf, zijn zusje Jantjen iets meer dan tweeënhalf jaar oud toen hun moeder overleed. Hun Finsterwolder grootouders waren Tjark Bontkes en Jantjen Struif. Tjark was vaak bij zijn grootouders Nanno Hindrik Addens en Wendelina Dallinga in Bellingwolde. In 1910 trouwde Tjark Bontkes met Lucretia Tijdens (1886-1975), dochter van Boelo Luitjen Tijdens en Jantje Geessiena Ebbens, beiden uit Nieuw-Beerta. Hij vereerde zijn overleden schoonvader. Tjark Eltjo Bontkes overleed in 1972 in Wijmeer (Dld).



Tjark E. Bontkes, oprit Benvenuto, Bellingwolde, ca. 1918.

Bontkes zat op de hbs in Winschoten, maar behaalde zijn hbs-diploma vermoedelijk in Groningen. Hij volgde de opleiding aan de Landwirtschaftschule in Hildesheim. Deze ‘germano-manische’ herenboer trok de consequentie uit de Junker-ideologie tot in het nationaalsocialisme toe door. Zijn permanente streven was Nederland op Pruisische leest te schoeien. Wat hem bezielde, maakte hij ruimschoots bekend, minder in gesproken woord dan in geschrift en op een wat abstract niveau.

 

Bontkes 1941 Bron: NIOD


Boelo Tijdens gaf zijn inspiratiebron prijs via een schilderij van Bismarck. Bontkes doet dit anders, namelijk in een lange voetnoot, waarin hij verwijst naar de politieke strijdorganisatie van de Junker, de “Bund der Landwirte”. [124] Deze bond van agrariërs ontstond in 1893 als een reactie op Leo von Caprivi, de in 1890 aangestelde opvolger van Bismarck als rijkskanselier en minister-president van Pruisen. Want de militair en liberaal Caprivi (1831-1899) had niets op met de Oost-Elbische Junker, die zich daarop tegen hem organiseerden om een strijd ‘op leven en dood’ aan te gaan. Dat Caprivi in 1894 het veld moest ruimen, gaf de bond energie om nog harder te gaan schreeuwen.



 

Het dagelijks bestuur van de Bund der Landwirte, rond 1900; links Diederich Hahn, midden Conrad von Wangenheim, rechts Gustav Roesicke.

De ideoloog en organisator van deze bond was zijn directeur Diederich Hahn (1859-1918).[125] De Junker-ideologie is in 1903 volledig ontwikkeld.[126] De Bund is er alleen voor alle boeren die ‘mensen van de Germaanse stam’ zijn. [127] Joden, die de Bund koppelt aan liberalisme, vrijzinnigheid en (geld)kapitalisme, zijn vijanden.[128] De organisatorische inrichting van de Bund loopt vooruit op de Reichsnährstand van Darré.[129] De Bund was een militair gestructureerde massaorganisatie met in 1911 328.000 leden. [130] Zijn propagandistische en demagogische methoden zijn directe voorlopers van die van de nazi’s.[131]

 

Over de ‘boerenbondsdag’ van de Bund der Landwirte in 1914 berichtte het Alg. Handelsblad onder meer: ‘Diederich Hahn, de directeur van den Boerenbond, moet het jaarverslag uitbrengen, maar vooraf gaat ook hij tekeer tegen de sociaaldemocraten, voor wier plezier de sociale politiek in 't leven is geroepen, die zo ontzettend veel geld kost; en dan heeft de regering de goede grondstellingen om geld te krijgen, door Bismarck en Miquel opgesteld, verlaten, en werkt in de richting van de socialistische theorieën. De sociaaldemocraten behoeven niet op de barricade te gaan om de heerschappij te krijgen; zij onteigenen eenvoudig de bezitters, zegt Diederich Hahn. En verder polemiseert hij met iedereen - die niet aanwezig is en dus niet antwoorden kan. Met de rijkskanselier, met de nationaal-liberalen en de vrijzinnigen, die hij de raad geeft zich af te scheiden van de „asfalt-democraten" en van „de joden die aan de touwtjes trekken"; en hij herinnert eraan, dat de vrijzinnigen vroeger, in de dagen van Richter, "veel beter waren dan nu. Richter trad op tegen de onhandigheden van de bureaucratie, en in wat hij zei was tenminste verstand. Maar de tegenwoordige vrijzinnigen hebben geen verstand en geen mening. Neen, die vindt men alleen bij de landjonkers.“‘[132]

 

De voorafschaduwing van het nationaalsocialistische Derde Rijk is in historisch perspectief onmiskenbaar. Over hun politieke opvatting schreef Von Kiesenwetter, in dienst van de Bund der Landwirte, in 1903 met een, achteraf gezien, opmerkelijk voorspellend inzicht: ‘De voornaamste verdienste van de bond ligt daarin, dat hij het agrarische vraagstuk heeft verdiept, deze een ethische basis heeft gegeven, boven het niveau van een bloot belangenvraagstuk heeft uitgetild en heeft uitgebouwd tot een bijzondere wereldbeschouwing. De strijd van deze agrarisch-sociale, bourgeoisie-politieke (‘mittelstandspolitisch’) wereldbeschouwing nu (…) met de kapitalistische wereldbeschouwing van vrijhandel enerzijds en de socialistische anderzijds, deze strijd is het, die het openbare leven van Duitsland in de eerstkomende decennia zal beheersen. En in deze strijd moet natuurlijk (‘naturgemäß’) de Bund der Landwirte de leiding op zich nemen. Dat is zijn taak voor de toekomst, daarin ligt zijn bestaansrecht, tot de eindoverwinning bevochten is.’ [133]

 

Zich hierop baserend legde Bontkes op 1 juni 1917 in zijn nieuwe villa Benvenuto in Bellingwolde de laatste hand aan zijn artikel ‘Landbouworganisatie’, dat hij naar dagbladen in het hele land stuurde. (Voor de tekst: zie bijlage 1) Er moet een organisatie komen van allen die belang stellen in de bodemcultuur, aldus Bontkes. [134] Er moet een nationale economische vereniging komen om ‘volk en regering de waarde van land-, tuin- en bosbouw voor ons volksleven ten volle te doen beseffen.’[135] Bontkes gaf ongegeneerd en onophoudelijk alle Nederlandse politici, boerenpartijen en boerenorganisaties ervan langs, omdat ze volgens hem verkeerd bezig waren. ‘Door politiek is nooit een staat groot geworden, wel ondanks politiek.’[136] Wel door een sterke man, door autoritair bestuur, met het belang van de boeren in het vaandel, zoals in Pruisen.

 

Ruim een maand eerder had Bontkes in een ingezonden stuk ‘Te Wapen’ zijn adhesie betuigd aan de in december 1916 opgerichte Vereeniging voor Landkolonisatie, die onafhankelijk van staatkundige of godsdienstige partijen zich ten doel stelt: de vermeerdering der volkswelvaart door landkolonisatie ten behoeve van land- en tuinbouw tot verhoging van de productiviteit van onze bodem, tevens daardoor landverhuizing en de trek naar steden tegengaande’.

 

Bontkes vulde hierbij aan: ‘De middelen tot verbetering der landelijke welvaart moeten namelijk worden gezocht in de ontplooiing der geestelijke en zedelijke krachten, en het kweken van een edele gemeenschapszin als e i n d d o e l.’[137] Deze fascistische context dient niet uit het oog te worden verloren, als we kennis nemen van de opsomming in bijlage 1, die grotendeels wordt herhaald in zijn brochure Landbouworganisatie bezien van het standpunt der volkshuishouding.

 

Bontkes’ idee van een nationale economische vereniging is een kopie van de ‘Wirtschaftliche Vereinigung’, een politieke structurering door de Bund der Landwirte om zoveel mogelijk invloed te hebben in de Rijksdag.[138] De vorm is die van een ‘Fraktionsgemeinschaft’ van verscheidene antisemitische en boerenpartijen.[139] De Winkler Prins encyclopedie van 1914 vermeldt dat de leden van de ‘Oeconomische Vereeniging’ (‘Bund der Landwirte’) antisemitisch zijn. [140]

 

De Bund der Landwirte gaf de “Deutsche Tageszeitung” uit. Een blad voor zijn nationale economische vereniging, dat wilde Bontkes ook: ‘Formaat van de Haagsche Post, aantal pagina's nader te bepalen, te verschijnen in grijsgroene kleur, met ’n naam, die overal de aandacht trekt: ‘De Veldgrijze’, Hollandsch weekblad gewijd aan de praktisch-ideële belangen der bodemcultuur.’ Veldgrijs was de kleur van de Duitse en Nederlandse uniformen in de Eerste Wereldoorlog. Een blad met een militaire titel en uitstraling. Bontkes las ongetwijfeld ‘Die Feldgraue’, Kriegszeitschrift mit Bildschmuck der 50. Infanterie-Division’, dat vanaf 1915/16 werd uitgegeven. Duitse studiegenoten uit Hildesheim dienden in deze divisie.

 

De oproep van Bontkes wekte enige belangstelling. Frederik Bernard Löhnis (1851-1927), rijksinspecteur van de landbouw, liet zich zien in de vergadering, die Bontkes op 25 juni 1917 in Krasnapolsky in Amsterdam had belegd. De kritiek van Willem Treub, nu minister van Financiën, op Bontkes was dezelfde als die hij destijds op Boelo Tijdens had gehad. Treub wilde niet buiten het bestel van de parlementaire democratie treden. Hoewel van progressief conservatief geworden, was Treub een democraat gebleven en geen voorstander van een autoritair regiem, zoals schoonvader Tijdens en schoonzoon Bontkes. [141]

 

Bontkes sprak begin september 1917 op het 69e Landbouwhuishoudkundig Congres in Assen. De ene helft van de deelnemers zou hem hebben toegejuicht, de andere helft ‘hem uitgefloten en de voorzitter ontnam hem het woord.[142]

 

Treub verpestte Bontkes’ initiatief door een Economische Bond op te richten, maar dan wel als politieke partij. Bontkes probeerde zijn idee nog te redden door met deze bond te praten en door in een pamflet De landbouw en de Economische Bond aansluiting bij Treubs bond te zoeken. Hoewel de Telegraaf er positief over schreef, mocht het niet baten.[143] Bontkes in 1921: ‘Schrijver dezes gaf het denkbeeld reeds voor jaren voor Nederland in een ontwerp voor een nationale economische vereniging. Treub ging de zaak weer bederven door er een politieke economische bond van te maken.[144] Achter wat op een woordenspel leek, zat een fundamenteel verschil, namelijk tussen democratie of dictatuur.

 

1918

‘Mijnheer Tjark’ rekende zichzelf tot de culturele elite van Nederland, die zich in 1922 bij de Tweede Kamer verkiezingen manifesteerde in de Onafhankelijke Partij (Comité voor de Verkiezing van Onafhankelijke Kamerleden of Comité Van Beresteyn). Deze onafhankelijken waren reactionair, keerden zich tegen het stelsel van politieke partijen en achtten zichzelf de aangewezen personen om het volk cultureel te verheffen.[145] Bontkes was in 1923 lid van hun vervolgcomité Cultureel-Onafhankelijken.[146] Vol overtuiging schreef hij: ‘Democratie was steeds symptoom van stedelijke culturen, die ten ondergang neigen, landelijke culturen brachten meer aristocratische leidíng (d.i. leiding van de besten)’.[147] Dit staaltje cultuurconservatisme staat in de brochure Landelijke Cultuur, een bundel met eerder gepubliceerde artikelen.[148]

 

Op de omslag en op het titelblad staat in een lang citaat van Peter Rosegger: ‘Ik wil (…) zeggen dat de boerenhofstee een kleine staat en de staat een grote boerderij is.’ [149] Dit is gelijk aan de ‘gesamtwirtschaftliche Konzeption’, het algehele economische concept van Diederich Hahn. Hahn vat Duitsland op als een reusachtige boerenplaats, ‘gewaltiges Gehöft’, waarop dezelfde wetten van toepassing zijn die gelden voor het groeien en bloeien van een gewone boerderij. De boer was vroeger zelfverzorgend en verhoudingsgewijs onafhankelijk, en zo vereist ook een natie economische onafhankelijkheid, moet ze wat de voedingsmiddelen betreft autarkisch zijn en voor industrie en ambacht zo min mogelijk afhankelijk van buitenlandse grondstoffen. Is dat gerealiseerd, dan kan de staat als wereldmacht politiek bedrijven. [150]

Hier vinden we het antwoord op de vraag: waarom een nationale economische vereniging? Waarom geen democratisch politiek bestel? Omdat zoals het leiden van een boerderij een economische aangelegenheid is, zo is ook het besturen van een staat die een reusachtige boerenplaats is, een economische aangelegenheid. In deze staatsopvatting past geen democratie. De boerenleider leidt en spreekt. De ‘nationale economische vereniging’ van Bontkes heeft als doel de ‘reusachtige boerenplaats’ van Hahn in Nederland te realiseren.

 

Bontkes: ‘Cultuurdragers, denkers en geniale staatslieden hebben de mensen steeds weer voorgehouden welk een grote betekenis het voeling houden met de bodem voor elke beschaving beduidt. Zoals Bismarck een krachtige staat wist te grondvesten op de sterke zuilen van landelijke welvaart, waarschuwt Bolland[151] in ons land, dat de stedelijke bevolking zorgeloos teert op de arbeid van anderen, allereerst van het landvolk.’ [152]

 

Maar, aldus Bontkes, ‘de geestelijke ontwaking van ons landbouwvolk wordt met kracht belemmerd door politieke geestdrijverij van stedelijke maatschappijleren. Socialisten, democraten, onderwijzers en industriëlen werken met onvermoeide ijver in op de gedachte van de landbewoner, die daardoor zijn eigen oorspronkelijke denkbeelden niet meer kan onderscheiden.[153] We hebben eerder in hoofdstuk 4 gezien, dat Tijdens vond dat onderwijzers zich niet met politiek mochten bemoeien.

 

Van onafhankelijke wetenschappers was Bontkes bij voorbaat niet onder de indruk. Want, aldus Bontkes, de grote vooruitgang van de moderne wetenschap is gekocht tegen de ontzettende prijs van vernietiging van de geestelijke intuïtie en verlies van onze hoogste scheppingskracht. Hij belegt dit met een citaat van Frederik van Eeden: ‘De rede kan niet scheppen, maar omlijnt en voegt wat leeft en is uit eigen reden, en wordt een leeg ding waar het leven kwijnt’.[154]

 

Bontkes komt in deze brochure ook nog weer terug op zijn ervaring met Treub, die volgens hem een fout met zijn Economische Bond maakte. Want politiek, democratie, is van de stedelijke bevolking. ‘De landman is niet democraat’, zegt hij Oswald Spengler na.[155]

 

Wat concludeerde Buning uit ‘Landelijke Cultuur’ van Bontkes? Dat het ‘eigenlijk een verrassend licht (werpt) op de geleidelijke ontwikkeling van Tjark Eltjo’s denkbeelden in ‘volkse’ richting, d.w.z. dat zijn standpunten en overtuigingen waren gebaseerd op de criteria van bloed en bodem, ras en mentaliteit. Zijn toenadering tot het nationaal-socialisme wordt zichtbaar.’ [156] Helaas voor Buning: Bontkes ontwikkelde niets en er was niets verrassends aan. De Bund der Landwirte sprak al in 1897 van ‘Blut und Boden’. [157]

 

De inspanningen van de geduldige Bontkes, die in lange termijnen denkt en die, zoals nog zal blijken, zelfs door de Tweede Wereldoorlog niet van zijn wijs zal worden gebracht, haalden weinig tot niets uit. Nog niet, want zijn kans komt nog. Interessant is zijn opmerking over de lijst Gemeentebelangen, waarvoor hij van 1924 tot 1927 in de raad van Finsterwolde zat. Hij juichte de lijst ‘Gemeentebelangen’. Hij vond het een gelukkig verschijnsel, als ‘allen, die het politieke spel moede zijn, in een kleurloze organisatie optrekken en daardoor het gezond verstand, hetwelk nog in alle kringen aanwezig is, en hetwelk meer dan beu is van het eeuwige geharrewar om partijbelangen, in staat stelt, nieuwe leiding in de chaos te brengen.’[158] ‘Gemeentebelangen’, als populistisch fenomeen.

 

Bontkes manifesteerde zich als ontginningsbankier. In Veelerveen, met het perceel van zijn overleden schoonvader Boelo Luitjen Tijdens.[159] Het ontginningswerk werd er uitgevoerd door de Heidemaatschappij. Bontkes financierde dit niet alleen. Hij had een mede-eigenaar, Roelof F. Deodatus uit Roden, studievriend uit Hildesheim. [160] Deodatus was ook Bontkes’ ontginningscompagnon in verband met Drentse ontginningsprojecten.[161]

 

Bontkes nam het initiatief tot de oprichting op 01-01-1919 van de Drentsch-Veenkoloniaal-Westerwoldsche Hypotheek- en Credietbank. Een initiatief dat in zijn lijstje stond: Oprichting ener nationale bank (eventueel aansluiting aan bestaande) die speciaal voor kleine boeren en tuinders op de goedkoopst mogelijke wijze krediet verstrekt, ook waar mogelijk tegen onderpand van ideële goederen op collectieve grondslag. Na enkele maanden al werden het hypotheekdeel en het kredietdeel van de bank gesplitst, wat twee banken opleverde, de NV. Drentsch-Veenkoloniaal-Westerwoldsche Hypotheekbank en de NV. Drentsch Groningsche Bankvereeniging. Het werd een financieel drama voor de aandeelhouders. Door wanbeheer. Hoewel er nooit winst werd gemaakt, werd toch dividend uitgekeerd. De hypotheekbank werd rond 1930 geruisloos geliquideerd. [162]

 

De school- en kindertuinen, ook een door Bontkes bepleit initiatief, werden opgepakt door een vriend van hem, de Groninger Klaas Dilling (1881-1979). Hij was opzichter en vanaf 1915 hoofdopzichter voor de afdeling ‘Oldambt Westerwolde’ der Nederlandsche Heidemaatschappij. Dilling leurde met de 1200 hectare grond, die in Westerwolde nog braak lag, waarvan de helft in het Hebrecht.[163] Dillings propagandistische boekje over de kanalisatie en ontginning van het Landschap Westerwolde is een lofzang op Boelo Tijdens en de Heidemaatschappij.[164]

 

Zoals eerder vermeld, had Dilling, als nummer 3 van de lijst van de Plattelandersbond, het tegen Arend Braat moeten afleggen. Zijn politieke opvattingen lagen in de lijn van de Hildesheimers. Dillings aansporing tot verbetering van het onderwijs door openluchtspelen, wandelen en tuinarbeid, gevolgd door de volzin ‘Het daghet in het Oosten’, zal Bontkes met instemming hebben gelezen. [165] Tijdens de Duitse bezetting zien we Dilling en Bontkes nog terug, in functies bij de Nederlandsche Landstand, een NSB-organisatie.

 


Hoofdstuk 8

De tweede jeugd van Jan Smid

 

Bontkes doorspekt zijn schrijverij graag met citaten en namen van schrijvers. Als economen noemt hij bijvoorbeeld Tolstoi, Rosegger, Pierson en J. Smid. Met Tolstoi zal hij de Russische schrijver Lev Tolstoj bedoelen. Peter Rosegger kwamen we al tegen. Pierson zal staan voor Nicolaas G. Pierson (1839-1909). En J. Smid is ongetwijfeld Jan Smid, die we in het begin van het vorige hoofdstuk aanstipten.

 

Wie was Jan Smid (1865-1945)? Smids grootvader Hindrik Harberts Smidt was een smidszoon uit Stapelmoor (Dld), die in Nieuw-Beerta landarbeider werd. Zijn grootmoeder kwam uit Nieuw-Beerta. Zijn vader Hindrik Smid (1836-1897) werd in Nieuw-Beerta geboren. Hij woonde en werkte als landarbeider in Blijham, toen hij daar Geertje Lameijer (1833-1893) ontmoette. Haar ouders woonden in Blijham. Ze trouwden in 1864 in Wedde. Hun zoon Jan werd in Nieuw-Beerta geboren. Hindrik Smid en zijn vrouw keerden in 1880 terug naar Blijham om zich daar als boer te vestigen.


‘Jan Smids hoeve’, opschrift boven de deur,
Turfweg 22, Blijham

Deze vernoeming is in 1905 notarieel vastgelegd.
Foto Marten Fokkens 15-07-2018


Jan Smid werd geen boer, omdat het boerenwerk lichamelijk te zwaar voor hem was. Een herenboer uit Nieuw-Beerta, die een oom van Bontkes’ vrouw was, betaalde zijn opleiding tot onderwijzer in Groningen. Dezelfde herenboer had waarschijnlijk Smids vader geld geleend om de boerderij in Blijham te kopen.[166] Na voor de klas te hebben gestaan, eerst ook enkele jaren in Blijham, behaalde Smid de lagere akte landbouwkunde en de middelbare akte economie. Hij trouwt in 1896 met Aaltje Mulder (1861-1928) uit Oude Pekela. Van muloleraar in Hengelo maakte Smid, die moeite had met zijn taak als onderwijzer, in 1898 de overstap naar ambtenaar bij de Nederlandsche Heidemaatschappij. Met de directeur van de Heidemaatschappij, Hermanus Johannes Lovink (1866-1938), deed hij onderzoek naar ontginningsmogelijkheden in Drenthe, waaronder het Zeyerveld. De Heidemaatschappij kreeg een bruggenhoofd in Den Haag, toen Lovink in 1901 directeur-generaal van de Landbouw werd. Smid volgde hem twee jaar later naar dit departement in de Hofstad en ging in Voorburg wonen. Hij werkte tot 1923 als hoofdambtenaar op het ministerie van Landbouw in Den Haag. In 1897 had Smid met zijn zuster Ebeltje de boerderij in Blijham geërfd . Deze na een brand in 1905 herbouwde boerderij draagt het opschrift ‘Jan Smid’s hoeve’.[167]

 

Smid is verknocht aan zijn Beerster en Blijhamster jeugdherinneringen. Wat hij later ook bestudeert en welke kritiek hij ook krijgt, hij wordt er, zoals hij zegt, alleen maar door bevestigd in de juistheid van de inzichten, die hij als jongeling had gekregen.[168] Hij verkondigt later graag dat zijn opvattingen niet uit het buitenland kwamen en dat hij ze zelf bedacht had.[169] Maar dan wel in het milieu van zijn ouders, die deelden in het egalitair besef tussen de Oost-Groninger herenboeren, de kleinere boeren en de grootknechten of ‘gezeten landarbeiderstand’, zoals door Knottnerus aangeduid. [170] Een instelling, die vanaf 1871 van over de grens kwam, van de Hildesheimers.

 

Smid was dan ook even antisocialistisch als Barlagen en Tijdens. Hij publiceerde vooral in vakbladen en was matig actief in de conservatieve Liberale Staatspartij. Misschien juist doordat hij geen opzwepende redenaar was, werd hij als spreker op latere leeftijd onvoorstelbaar populair onder de boeren.

 

Bontkes en Smid kenden elkaar al uit de jaren 1910. Ze lagen elkaar niet. De jongere Bontkes voelde zich als denker verheven boven Smid, die niet begreep waar Bontkes heen wilde. Hun onderlinge spanning zou oninteressant zijn gebleven, ware het niet dat ze in aanloop naar de oprichting van L&M met elkaar te maken kregen. Hoe ging dat in zijn werk? De beurskrach van 1929, de tijd van de grote wereldcrisis was begonnen. Slechte tijden voor bijna iedereen.

           

De zandboeren hadden niets aan de Tarwewet, waarmee kleiboeren werden geholpen. Op zand groeit geen tarwe, maar rogge. Op 9 juni 1931 werd in hotel Schober in Vlagtwedde een crisisvergadering belegd onder leiding van Reint van Hateren (1883-1973) uit Weite (Vlagtwedde). Bontkes was ook aanwezig. De Westerwolder boeren kwamen uit de gemeenten Vlagtwedde, Onstwedde, Bellingwolde en Wedde. Ze richtten de Crisisorganisatie Westerwolde op om krachtiger aandrang uit te oefenen op de regering, zodat ook de zandboeren zouden worden gesteund. Verder dan een verklaring in deze geest kwam het niet.[171] Bij de Crisisorganisatie Westerwolde sloten zich zeven- tot achthonderd boeren aan.

 

De landbouwkundig ingenieur Muntinga meende in 1945: ‘Al begreep men, dat er iets moest gebeuren, minder duidelijk zag men echter, wat er gebeuren moest, en hoe de zaak aan te vatten. Waarschijnlijk zou de beweging dan ook weer zijn doodgelopen, indien niet enkele maanden later (Dec. ‘31) te Assen een grote vergadering van Drentse boeren was gehouden.’ [172]

 

Waar Muntinga op wijst, was ook Landré al opgevallen. Hij constateerde ‘dat men in Holland dergelijke zaken in petit comité samenstelt en dan later leden aanwerft, terwijl men hier andersom te werk gaat: eerst een tal van leden bijeenroept en dan gaat constitueren, waardoor eindeloze, vruchteloze en verwarde discussies worden opgewekt en aangemoedigd, waarbij ieder zijn duit in het zakje wil werpen en bij slot van rekening onzekerheid en stelselloosheid worden bewerkt.’[173] Hoe zou dit verklaard kunnen worden? Misschien door een cultureel-historisch tekort aan bestuurlijke ervaring boven het dorpsniveau? Want in tegenstelling tot de Drentse eigenerfde boeren, die altijd actieve bestuurders in de eigen provincie zijn geweest, waren hun collega’s van Westerwolde steeds door en vanuit de stad Groningen bestuurd.[174]

 

Reint van Hateren was net als zijn broer Hendrik van Hateren uit Wedde actief in de Plattelandersbond van Braat. De kleine eigenerfde zand- en veenboeren van Groningen en Drenthe stemden op Braat. De Plattelandersbond was het sterkst in Drenthe, waar het aandeel van vrijzinnige en activistische kleine boeren in de bevolking het grootst was. In de Drentse gemeenten Vries (46,2 %), Rolde (40,8 %), Ruinen (30,9 %) en Anloo (30,5 %).[175] Toen het de boeren slechter ging, had Braat geen antwoord en verloor hij het vertrouwen van zijn electoraat.

 

In dit vacuüm trok Bontkes in maart 1931 strategisch het initiatief naar zich toe. Zijn strategie was er altijd op gericht geweest een nieuwe, autoritaire beweging op poten zetten, die het bestaande stelsel van politieke partijen en beroepsverenigingen moest overwoekeren en verstikken. Hij stelde de oprichting van een landelijk alternatief voor. Sprak nu niet meer, zoals ruim tien jaar eerder, van een ‘nationale economische vereniging’, maar over een ‘algemeen maatschappelijke landbond, welke als een landelijke welvaartsbond zijn intrede doet’. Hij bepleitte een actieve, georganiseerde macht zoals de Duitse Rijkslandbond. (zie Bijlage 2) [176] Met dit doel voor ogen maande hij Herman Derk Louwes (1893-1960), herenboer uit Vierhuizen, voorzitter van de Groninger Maatschappij voor Landbouw (GML) en lid van de Liberale Staatspartij De Vrijheidsbond openlijk zijn voorstel ter hand te nemen. [177] Louwes reageerde meteen afwijzend.

 

Bontkes’ strategie sloeg wel aan bij jonge, activistische Drentse boeren. Geert Dieters (1902-1980) en Harm Jan Hamming (1898-1973) uit Annerveen waren, zo schreven ze, ‘vanaf oktober 1931 bezig om te komen tot oprichting van een Nationale Boerenpartij of Agrarische partij. Om hiertoe te komen werd 5 november 1931 een vergadering met enkele belangstellenden gehouden in 't Hotel „Het Wapen van Drenthe" te Assen, waar werd besloten voorlopig onze voelhorens eens uit te steken bij vooraanstaande personen op landbouwgebied en intussen in stilte propaganda te maken voor het schone doel om alle landbouwers en mensen, nauw bij den landbouw betrokken, samen te brengen onder een politieke Boerenpartij.’ [178] Alle boeren zonder onderscheid van politieke en godsdienstige beginselen zouden eraan moeten meewerken.

 

Ze probeerden Jan Smid in te schakelen, maar die had er geen zin in, vond zich te oud en te weinig strijdlustig. Smid was even oud als Derk Tonko Barlagen, die in 1930 was gestopt als voorzitter van de landbouwwerkgevers. Wel gaf hij gevolg aan hun uitnodiging om te spreken tijdens de vergadering van 23 december 1931 in Assen. De toeloop van belangstellende boeren was toen zo groot, dat ze over twee locaties moesten worden verdeeld. Bontkes sprak in het Concerthuis, Smid in Bellevue. Het verhaal van deze Oost-Groningers klonk de Drenten als een koninklijke kerstboodschap in de oren. En Smid leefde op. Zijn gevoel van eigenwaarde had door de late aandacht en bijval een geweldige oppepper gekregen. De strateeg Bontkes die het als de maatschappelijke taak van de landbouw zag de maatschappij te verjongen, bezorgde Smid op zijn oude dag een lange tweede jeugd. [179]

 

Smids kern: ‘Aan elke sociale actie ten grondslag moet liggen een juist inzicht in den bouw der maatschappij en dit juiste inzicht moeilijk is te verkrijgen zonder uit te gaan van het fundament der maatschappij: de landbouw.’[180] Bovendien beziet hij de sociale en economische vraagstukken in het licht van de moraal. Smid beschouwt de parlementaire democratie met algemeen kiesrecht als ‘een democratie van lagere orde’, een democratie met een nep-parlement. Alleen ‘een democratie van een hogere orde’ zou het land kunnen redden. De kijk op de samenleving moet helemaal anders, is zijn autoritaire lokroep van politiek schoonschip maken.

 

‘Terwijl men thans bezig is de stedelijke, proletarische mentaliteit te verbreiden op het land, moet juist het omgekeerde plaats hebben. De democratie moet haar steun zoeken in de geestesgesteldheid van de enigszins gezeten landarbeidersstand en kleine boerenstand, zoals men deze in de meeste streken nog aantreft, en deze mentaliteit brengen naar de stad.’[181] Met stad bedoelde Smid de hele niet-landbouwende bevolking. ‘Het economisch denken moet weer in aanraking worden gebracht met de natuur en met de bodem evenals in de tweede helft der 18e eeuw.’[182]

 

Waarom juist deze periode? Omdat die voortleefde als de ‘zilveren eeuw’ van de boeren. De Republiek der Zeven verenigde Provinciën. Nederland als eenheidsstaat bestond nog niet. Er was nog genoeg woeste grond voor iedereen die wilde boeren en eigenerfde boeren namen direct of indirect deel aan het overheidsbestuur. [183] Nog geen Franse revolutie met de leuze vrijheid, gelijkheid en broederschap, nog geen industriële revolutie, nog geen groei van de steden en nog geen arbeidersproletariaat. Volgens Smid was er toen absoluut vrije concurrentie; wat niet waar is.[184]

De pastoor: ik bidt voor u; de soldaat: ik vegt voor u; de boer: of dat gij bidt, of dat gij vegt, of dat gij regt,
ik ben de boer die de eyeren legt; de advocaat: ik regt voor u.’


De kinderloze Smid maakt zich grote zorgen over de voortplanting door het proletariaat. ‘Indien de arbeiders dezelfde voorzichtigheid op het gebied der gezinsvorming betrachtten als de hogere klassen, zou over uit werkloosheid voortkomende ellende vermoedelijk niet meer behoeven te worden geklaagd.’[185] Imperialisme, materiële ellende, landhonger en oorlog zijn volgens hem allemaal het gevolg van het feit dat er te veel mensen zijn. De ironie wil dat het geboortecijfer op het platteland statistisch hoger was dan in de steden.

 

Een criticus vatte Smids zienswijze samen als ‘terug naar de natuur’, naar de jungle waar het recht van de sterkste geldt. Smid gaf hem gelijk. [186] Later, in 1933, noemden sociaaldemocraten Smids zienswijze fascistisch.[187] Smids reactie hierop lijkt een woordspelletje, maar is dit beslist niet. Dat de ‘ontreddering en verwildering, waartoe onder sociaaldemocratische leiding de democratie voerde, tenslotte (zou moeten) uitlopen op fascistische dictatuur’, vond Smid helemaal geen probleem.[188] In zijn ogen is fascisme democratischer dan het bestaande parlementaire stelsel, want in het laatste doen proletariërs mee en zullen de boeren ‘verproletariseerd’ worden, omdat alle grond staatseigendom wordt en het privébezit verdwijnt. Democratie, volksheerschappij, betreft alleen het ‘volk’. Volk volgens de definitie van de fascisten. In een land van boeren en beambten bestaan geen proletariërs. Smids zienswijze spoort met die van de radicaal-conservatieve Oswald Spengler.[189]

 

De toekomstdroom die Smid voorschotelde, was zijn Westerwoldse arcadia van de 18e eeuw. Hoe zou dit in Nederland gerealiseerd kunnen worden? Bontkes had steeds het Duitse voorbeeld voor ogen gestaan. Smid feitelijk ook, maar zonder praktische consequenties van politieke aard te trekken. Hij bleef Smid tarten, ook toen ze, zoals we in het volgende hoofdstuk zullen zien, erin slaagden zowel de grote als de kleine eigenerfde boeren te verenigen in de Nationale Bond Landbouw en Maatschappij (L&M).

 


Hoofdstuk 9

Naar het nationaalsocialisme, zonder pachtboeren

 

Vlak na de oprichting van de Drentse Boerenbond werd de Crisisorganisatie Westerwolde begin 1932 uitgebouwd tot de Groninger Boerenbond.[190] Volgens Bontkes had niet iedereen begrepen wat Smid had gezegd. Hij verduidelijkte: ‘De bedoeling is als het ware het gehele Nederlandse volk te mobiliseren om de landbouw te redden.’ Een verslaggever stelde vast, dat Smid en Bontkes in hun bedoelingen in wezen overeenstemden.[191] Voorzitter van de Groninger Boerenbond werd een herenboer, Albert van Bruggen (1873-1956) uit Warffum. Reint van Hateren uit Vlagtwedde had – geen herenboer zijnde - geen tijd voor deze functie.

 Albert van Bruggen


Er werden in Nederland drie provinciale en twee regionale boerenbonden opgericht. Ze verenigden zich in 1933 in de Nationale Bond ‘Landbouw en Maatschappij’ (L&M). In deze naam wordt uitgedrukt dat de landbouw het fundament van de maatschappij is. Haar orgaan was het blad Landbouw en Maatschappij, dat later het Agrarisch Nieuwsblad werd, uitgegeven door de Agrarische Pers in Meppel. De naam van de bond duidt zijn credo aan: de landbouw verjongt steeds de maatschappij. Van grote betekenis werden ook de jeugdorganisatie van L&M, radicalere jeugdclubs (leeftijd 18-35 jaar), met hun Agrarisch Jeugdblad.

 

De bonden organiseerden zich, zoals Bontkes had aangegeven, weliswaar ‘hoger op’, op landelijk niveau, maar categoraal. Zijn aanhang zat niet lang niet overal, maar bleef hoofdzakelijk beperkt tot Drenthe, de Groninger Veenkoloniën, Westerwolde, Westerkwartier, Friese Wouden en plaatselijk in Zeeland, Gelderland en Overijssel. Anders dan Dieters en Hamming aanvankelijk hadden bedoeld. [192] Hun plan, een Nationale Boerenbond als landelijke politieke partij, was niet gelukt. Maar ze werden gered door Mussert met zijn Nationaal Socialistische Beweging (NSB), want die nam de belangrijkste punten van L&M, opgesteld door Smid, over in het programma van de NSB. Zowel Bontkes als Smid spraken met Mussert.

 

Bontkes, die nooit een misverstand over zijn bedoelingen had laten bestaan, werd lid van de NSB. Smid niet. Bontkes nam hem onder vuur: ‘Op de eerste vergadering ter oprichting der boerenbonden heb ik gewaarschuwd geen belangenactie op touw te zetten, maar een volksbeweging te ontketenen. Ik klopte aan dovemansdeur. Maar de volksbeweging, waarvan de tijd zwanger was, is er gekomen, haar leider heet Mussert, niet Smid en weer verzuimden de boeren het ogenblik. Hun zending was het, een politieke volksbeweging te dragen. De tijd voor een onpolitieke neutrale boerenbeweging is reeds lang voorbij; de nieuwe tijd wil geen klassengroepering, maar roept de boer vooraan in de volksbeweging.’[193]

 

Boeren onder de vlag van Mussert. ‘De leider van de nationaalsocialistische beweging in Nederland, Mussert, werd eind 1933 in Veendam ‘toegejuicht door mensen, voortgekomen uit conservatieve kringen, waarin men altijd de scherpste wapens heeft gesmeed tegen sociale maatregelen en voorzieningen. Ik heb er mensen in grote autobussen zien arriveren uit Westerwolde, bekend om hun reactionaire leuzen en drijfveren,’ aldus de Veendamse SDAP-wethouder Frans Spiekman (1879-1961). [194] Herenboeren reisden niet per bus.

 

Op dinsdag 16 juli 1935 golfden meer bezoekers door de straten van Assen dan anderhalve week eerder bij de TT-motorraces. Op de landdag van L&M genoten twintigduizend boeren en boerinnen van een groots opgezette, oud-Germaans folkloristische openluchtspel met vijfhonderd spelers. Ze kwamen vooral voor Jan Smid. Hij had hoop gegeven aan de kleine zand- en veenboeren, die met genoegen zagen dat de herenboeren dezelfde agrarische idylle omarmden. Tussen hen heerste nu eenzelfde soort egalitair besef als in de tweede helft van de negentiende eeuw in het Oldambt had bestaan tussen herenboeren en grootknechten.

 

L&M groeide en had in 1940 landelijk 20.500 leden, voornamelijk in de noordelijke en oostelijke provincies, 9000 in Drenthe, 4000 in Groningen.[195] Westerwolde had in 1940 vijftien afdelingen met totaal ruim 800 leden. [196] L&M was voor 1940 feitelijk de grootste fascistische en bovendien salonfähige organisatie van Nederland.

Johannes Linthorst Homan (1903-1986), de commissaris van de Koningin in Groningen van 1937-1945, was er lid van. Veel herenboeren werden lid, zoals Herman Derk Louwes, Edzo Hommes Ebels (1889-1970) uit Nieuw-Beerta, lijsttrekker van de Liberale Staatspartij in Groningen en Steven E.B. Bierema uit Usquert, fractievoorzitter van laatstgenoemde partij in de Tweede kamer.[197]








Op L&M landdagen spraken bekende personen als een Willem Schermerhorn (1894-1977), de latere minister-president, die zelfs als ze tegen L&M waren, door het enkele feit van hun aanwezigheid bijdroegen aan de sociale acceptatie. En op het door L&M aan de Koningin tijdens de landdag in Rolde verzonden telegram kwam als antwoord: ‘Met waardering heeft H.M. er van kennis genomen, dat het streven van Uw bond geheel in overeenstemming is met Hoogstderzelver oproep voor geestelijke en morele herbewapening, omdat gij allen bereid zijt, de gedachte van „draagt elkanders lasten" bij voortduring eendrachtig te ondersteunen’.[198]

 

Rechts Jan Smid in 1935. Links E.Z. Oldenbanning, voorzitter van L&M en
rechts achter Jac. ter Haar, secretaris en redacteur, de ‘Max Blokzijl van Drenthe’.



Smid had Louwes al eerder overtuigd van zijn idee van boerenprotectie. Ze deelden een nostalgisch, christelijk getint agrarisch jeugdsentiment en werkten nauw samen binnen de Liberale Staatspartij.[199] De landbouwpolitiek van het Duitse nationaalsocialisme sprak Louwes aan.[200] Hij moet kennis hebben genomen van Hitlers protectie van de boerenstand en maakte er geen geheim van dat de boeren in Duitsland beter af waren. [201] Dat dit door de inspanningen van Hitlers oorlogseconomie kwam, bleef buiten beschouwing. In de Tweede Kamer, waarvan Louwes door de expliciete en afgesmeekte steun van L&M lid was geworden, was hij de spreekbuis van Smid.[202] In de Vrijzinnig-Democratisch Bond bevonden zich overigens ook wel boeren die lid van L&M waren.[203]

 

De leden van L&M konden beïnvloeding vanuit de NSB niet ontlopen, als ze dat al zouden hebben gewild. De NSB gebruikte het adressenbestand van L&M om leden te werven. Tussen L&M en de NSB was het een een-tweetje.[204] Het is het Hoofdbestuur [van L&M] bekend, dat onder zijn leden de N.S.B, vele aanhangers telt. Het H. B. was van mening, dat de Boerenbonden qua beweging, hun principiële richtlijnen handhaven, d.w.z. invloed uitoefenen op alle politieke partijen en bewegingen. Het bij de jongste stembusstrijd aan de leden uitgebrachte advies, heeft gezien de gang van zaken tot dusver niet teleurstellend gewerkt. Aan de hand van het tot dusver gevormd oordeel zal bij een volgende verkiezing ook de N.S.B mede aanbevolen kunnen worden.’[205]

 

De NSB-lijst voor de verkiezingen van de Provinciale Staten in Drenthe werd in 1935 aangevoerd door Geert Dieters. In Groningen door de herenboer en agrarisch fabrikant Hommo ten Have uit Eexta. Anders dan de herenboeren met de Liberale Staatspartij of de Vrijzinnig-Democratische Bond, hadden de vrijzinnige zand- en veenboeren in Drenthe en Groningen gevoelsmatig geen politiek alternatief. Het moet voor hen als leden van L&M een vloeiende overgang van de vroegere Plattelandersbond naar de NSB zijn geweest .

 

In tegenstelling tot L&M was de NSB niet salonfähig. [206] De NSB was geen vereniging, maar een stichting met een bestuur bestaande uit één persoon, Anton Mussert. Hij was in het begin van de jaren 1920 lid van de Liberale Staatspartij geweest. Smid en anderen wrongen zich jarenlang in allerlei bochten om de band tussen L&M en NSB te ontkennen of te bagatelliseren. Smids uitlatingen waren ronduit bedrieglijk. Hij prefereerde de levens- en wereldbeschouwing die aan de democratie ten grondslag lag boven die van de dictatuur en dit was volgens hem ook het geval was met de leiding van L&M en met het overgrote deel van de leden – ‘ook van hen, die hun stem op de N.S.B. uitbrengen, ja zelfs van hen, die er lid van zijn’.[207] Smids fascistische democratie was volgens hem geen dictatuur.

 

Hoewel Smid de personificatie van L&M was, was hij er geen lid van en formeel alleen adviseur en redactieleider. Maar hij werkte ten nauwste samen met de voormannen van L&M, van wie naar verluidt eenentwintig van de drieëntwintig bestuurders NSB’ers waren. Er waren openlijke en geheime personele unies. Een harde, op het gedachtengoed van de SS gerichte driehoek vormden Bontkes, zijn huisvriend Meinoud Rost van Tonningen (1894-1945), de beruchte NSB-voorman en concurrent van Mussert, en Geert Dieters. Dieters en Rost van Tonningen zaten voor de NSB in de Tweede Kamer. In de Eerste Kamer klonk het L&M-geluid bij monde van de NSB’er Jacob Maarsingh (1892-1958), herenboer uit Stadskanaal, die tijdens de bezetting de gemachtigde van Mussert in Noord-Nederland zou worden.

 

L&M was feitelijk een mantelorganisatie van de NSB. Minder van Mussert dan van Rost van Tonningen. Over de relatie NSB-L&M werd zoveel geschreven en gepraat, dat ieder lid van L&M van dit twistpunt op de hoogte was. Dat Hitler net als Bismarck zijn binnenlandse tegenstanders monddood maakte en socialisten en communisten opsloot in concentratiekampen vlak over de grens in het Emsland, was in Noord-Nederland algemeen bekend. Om een voorbeeld te geven, de NSB-kring Anloo besloot al in 1934 een bezoek te brengen aan het concentratiekamp te Johannesburg, dat is het ontvangstcentrum van het Börgermoor, het eerste Emslandlager. [208]

 

Hitler gold in Nederland als bevriend staatshoofd. Tot 10 mei 1940, toen de nazificatie begon. Wat Smid, die het nazisme van L&M salonfähig had gemaakt, deed, hoefde niemand te verbazen. Geboeid door deze Groninger crypto-nationaalsocialist en zijn openlijke NSB-vrienden van L&M marcheerden de agrariërs, verlost van de ketenen van de liberale, parlementaire democratie, naar een gelukkiger toekomst, in Rolde.

 

Voor we chronologisch verder gaan, nu eerst het totaal andere verhaal van de pacht- en hypotheekboeren. Het aantal pacht- en hypotheekboeren is groot. In 1937 bedroeg het aantal pachters in ons land 43,5 % van het totaal aantal landgebruikers. Ze exploiteerden in Nederland 50% van de cultuurgrond. In Groningen 41 respectievelijk 42%; in Westerwolde vermoedelijk een tien procent lager.[209] Ze hebben andere economische belangen dan eigenerfde boeren en beklemde meiers (Groninger erfpachters). De politieke voorkeuren die ze hebben en de consequenties die ze trekken, zijn verschillend, net zoals we zien bij huiseigenaren respectievelijk huurders. Ze hebben niet alleen verschillende belangen, maar ook een andere sociale status. Eigendom geeft hoger aanzien. In communistische en socialistische kringen, zowel in Duitsland als Nederland, leidt dit tot de opvatting, dat de verpachters, kapitalisten, moeten verdwijnen door de grond te nationaliseren. Hun leuze is ‘boerenland in boerenhand’.[210] Later kaapten Duitse en Nederlandse nationaalsocialisten deze leuze en gaven er aan andere lading aan. In laatstbedoelde zin leeft de leuze ook nu nog in agrarische kringen voort.[211]

 

Löhnis vond in 1913 het veldwinnen van het pachtwezen ten koste van de eigenerfde boerenstand een politiek vraagstuk. [212] Het pachtwezen was sociaal en economisch problematisch, maar er was toen nog geen draagvlak om door middel van wetgeving dwingend op te treden.[213] Dat optreden werd verlangd door hen die een einde wilden maken aan de willekeur van verpachters en hypotheeknemers. Dat Bontkes in 1917 in zijn lijst van te nemen initiatieven ook bevordering van een doelmatig grondgebruik door goede pachtvoorwaarden had opgenomen, stond niet op zichzelf. De Friese onderwijzer Frans Oddens (1861- 1941) uit Surhuizum deed in maart 1917 een oproep aan de pachters in veeteelt-en landbouwbedrijf. ‘Te wapen! Niet om een buitenlandse vijand, doch om door vereniging de wantoestanden, die nu aller belangen, doch 't meest die der huurveehouders en -landbouwers met voeten treden, zoveel mogelijk te bestrijden.’[214] In een ingezonden stuk greep Bontkes de kans om zijn eigen idee van landbouw en cultuur te promoten. Zijn hint was dat de pachters hun probleem konden oplossen door zelf eigenerfde boer te worden. Door een stukje grond in een ontginningsgebied te kopen, wat de doelstelling was van de door hem genoemde, in december 1916 in Amsterdam opgerichte Vereeniging voor Landkolonisatie.[215]

 

Met enige vertraging leidde de oproep van Oddens ertoe, dat de Friese onderwijzer en journalist Hendrik van Houten (1892-1952) in 1922 de nog steeds bestaande Bond van Landpachters en Hypotheekboeren in Nederland (BLHP) oprichtte, teneinde een menswaardig bestaan van de pachters te bereiken. De bond had plaatselijke afdelingen in Westerwolde. De persoonlijke dienstverlening van de BLHP in pacht- en boekhoudzaken was voor de leden het belangrijkst.

 

Jan Smid meende, net als Bontkes, dat als zijn toekomstbeeld realiteit zou worden, het pachtprobleem ook was opgelost, omdat er uiteindelijk alleen nog maar eigenerfde boeren over zouden zijn. De consequentie was dat L&M de pachters politiek links liet liggen. De incidentele en waarschijnlijk persoonlijke actie van Hendrik van Hateren (1884-1945) uit Wedde om de pachters over te halen zich bij L&M aan te sluiten, liep dan ook op niets uit.[216]

 

In 1932 kwam er voor het eerst een pachtwet tot stand, de Crisispachtwet. In 1937 kozen de pachtboeren en bloc voor de progressieve Christelijk-Democratische Unie (CDU). Ze beloonden hun BLHP-leider Van Houten, die in 1933 als politiek leider van de CDU in de Tweede Kamer was gekomen en van wie ze geloofden, dat hij belangrijk was geweest voor de nieuwe Pachtwet van 1937. De NSB behaalde in 1937 in de provincie Groningen 5,19% van de stemmen, de CDU 8,92%.

 

 


Hoofdstuk 10

Bezetting voorbij, boerenprotectie blijft

 

Vanaf 1937 ging het de boeren economisch beter. Niet door toedoen van L&M of de NSB. Die hebben voor de boeren in economisch opzicht niets gepresteerd. De NSB was daarin ook niet echt geïnteresseerd. Dieters: ‘Onze beweging is geen partij, die ook eens wat voor de landbouw wil doen, omdat de landbouw in nood verkeert, ook niet, omdat wij de landbouw zien als een onderdeel van de samenleving, maar wij als nationaalsocialisten gaan uit van de boerenidee als zodanig, omdat wij in wezen éen grootse boerenbeweging zijn.’ [217] De Nederlandse economie profiteerde van de groei van de oorlogseconomie in Duitsland. Het ledenbestand van L&M was vanaf 1937 stabiel.

 

Op de landdagen van L&M werden de opvattingen van de Duitse nazi Richard Walther Darré (1895-1953) vrijelijk uitgevent. Dezelfde Germaanse ‘Bauerntumsideologie’ als van de ‘Bund der Landwirte’ en ‘Reichslandbund’ maar nog brutaler en gewelddadiger van toon.[218] Bij het begin van de Weimarer Republik was de Bund der Landwirte met de Deutsche Landbund gefuseerd tot Reichslandbund (1921), waarin de Junker de lakens uitdeelden.[219] Darré werd in 1933 Hitlers minister van Voedsel en Landbouw. De Reichslandbund, die de machtsgreep van Hitler had toegejuicht en geen enkel bezwaar had tegen de nazificatie, de ‘Gleichschaltung’, van de landbouw, werd in Darré’s ‘Reichsnährstand’ (RNST) ondergebracht.[220] De NSB-boeren keken uit naar een soortgelijke gang van zaken in Nederland. De herenboer Derk Sibolt Hovinga (1909-1990) uit Oostwold verwoordde het aldus: ‘We zouden de zaken straks in Nederland wel eens even mee op poten helpen zetten.’ [221] Deze boeren verwachtten alles van de Duitse fascistische aanpak.

 

De NSB was na 1937 al op haar retour en zou waarschijnlijk niet meer dan een voetnoot in de vaderlandse geschiedenis zijn geworden als de Duitsers Nederland niet waren binnengevallen. Afgezien van de datum,10 mei 1940, was de Duitse overval geen verrassing. Nederland was al vanaf september 1939 gemobiliseerd.

 

De leiders van L&M voerden meteen hun NSB-plan uit. ‘Het nieuwe Nederland zal een beter Nederland moeten zijn. Wij L&M-ers zullen van ganser harte willen bouwen met alle andere landgenoten.’[222] Nochtans gaf de Duitse inval rondweg een derde van de leden aanleiding het lidmaatschap van L&M op te zeggen, omdat ze verder dachten dan het eigen erf of ‘boerenbelang’. In november 1940, in aanwezigheid van Smid, loodste de leiding de boeren die nog lid waren ongevraagd het Agrarisch Front van de NSB binnen. De doelstelling was: de verwezenlijking van het agrarisch beginsel van L&M, ‘dat gelijk is aan het nationaal-socialistisch beginsel’. De uitgeverij Agrarische Pers in Meppel draaide de hele oorlog door.

 

Op de affiche loopt de Germaanse boer in de dageraad van het Agrarisch Front. Een donkere wolk boven zijn hoofd. Hoewel het een gelopen koers was, verzetten de Groninger vertegenwoordigers in de ledenraad zich, omdat de leden niet waren geraadpleegd.[223] Het conflict werd in de plaatselijke afdelingen in Groningen uitgevochten. Nog meer leden verlieten L&M. Zo stapten elf van de tweeëndertig leden van de afdeling Scheemda van L&M alsnog op. Louwes zegde pas op, nadat de Groninger Maatschappij van Landbouw had besloten niet met het Agrarisch Front te zullen samenwerken. De afvalligheid, die op niet minder dan twee derde van het al ingekrompen ledenbestand wordt geschat, werd niet aan de grote klok gehangen. Wie met het Agrarisch Front meeging, deed dit bewust.

 

Het is aannemelijk dat er weinig of geen NSB-boeren waren die geen lid van L&M waren geweest. Na de oorlog zijn er in Groningen beheerders aangesteld over 632 bedrijven (328 van 20 ha of meer) van geïnterneerde dan wel gevluchte NSB’ers. Er waren NSB-boeren, zoals Bontkes, die meer dan één bedrijf hadden. Onderzocht zou kunnen worden wie van hen tot welke soort boeren behoorde en wat hun rol tijdens het Duitse bewind is geweest. [224] Wat opvalt onder de mannelijke verdachten, is het grote aantal landarbeiders en landbouwers, aldus Meiboom. [225] Wat de landarbeiders betreft, hebben we eerder de rol van Hilgenga en zijn Landarbeidersfront aangestipt.

 

Smid trok zich in 1941 terug. Missie voltooid. [226] Van Lunzen meent dat de boeren die na de oorlog in de interneringskampen terechtkwamen slachtoffers van Smid waren geworden, doordat ze dachten, dat hij niet achter de propaganda van L&M zou staan. ‘Voor zovér ze nadachten’, voegt hij er niet zonder arrogantie aan toe. [227] Deze boeren hadden Smid beter begrepen dan Van Lunzen.

Slotdiner eerste leergang propagandisten Ned. Landstand. 1942 Bron: NIOD

Het Agrarisch Front was de opmaat naar de Nederlandsche Landstand, naar het patroon van de Reichsnährstand (RNST). Voor Bontkes kwam eindelijk uit wat hij in 1917 in Bellingwolde bedoeld had met een ‘nationale economische vereniging’. Deze kreeg vorm in de Nederlandsche Landstand. Bontkes is de tweede van rechts zittend op deze foto van de Landstand. De Landstand zou voor de hele voedselvoorziening gaan zorgen. Het was volgens de trotse boerenleider Roskam de eerste publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie. Iedere boer, tuinder en visser was verplicht lid en kreeg een aanslagbiljet. In werkelijkheid een spookorganisatie.

 

Bontkes kreeg de onbezoldigde baan van hoofd van de afdeling I, ‘Volk en Bodem’, van de Nederlandsche Landstand. Maar hij gaf er vrij snel de brui aan, omdat hij vond dat hij niet met voldoende respect werd bejegend. ‘As je mie wat moaken, wil ik ook wat wezen’, schreef de Germaanse goeroe uit Finsterwolde aan zijn vriend Meinoud Rost van Tonningen. [228]

 

In de Nederlandsche Landstand komen we nog twee bekende namen tegen. Klaas Dilling

werd in februari 1943 secretaris van de nieuwe afdeling Bos- en jachtwezen. Een jaar eerder was een Bureau Pacht opgericht, als onderafdeling van de afdeling Recht. Hoofd van dit bureau werd Hendrik van Houten, die de individuele belangenbehartiging zou voortzetten zoals hij bij de BLHP had gedaan. De overstap van de anti-NSB’er Van Houten naar de Landstand riep veel verzet op en veroorzaakte na de bevrijding een scheuring in de heropgerichte BLHP. Deze opsplitsing werd na de dood van Van Houten ongedaan gemaakt.

 

Feitelijk vond de voedselvoorziening in Nederland tijdens de bezetting echter plaats onder leiding van ir. Stephanus Louwe Louwes (1889-1953), de oudere broer van Herman Derk Louwes. Hij was de directeur-generaal van de Voedselvoorziening, een publiekrechtelijke organisatie van 20.000 mensen. Hij, lid van de Vrijzinnig-Democratische Bond, had zich altijd al verzet tegen de ideeën van L&M en ging strikt zakelijk met de Duitsers om. ‘Sociaal en geestelijk verkeer met de bezetter was uitgesloten’.[229] Zijn jongere broer Herman, die in 2002 als burgemeester van de Nederlandse landbouw werd betiteld, vond daarentegen dat de boeren verplicht waren loyaal met het Duitse gezag samen te werken.[230]

 

Bontkes zag de bui van Hitlers einde hangen. Hij paste voor de vernedering die hij kon verwachten, namelijk verblijf in het onvermijdelijke interneringskamp en een zware veroordeling. Eind 1944 had hij al zijn toevlucht in Duitsland gezocht. Later vestigde hij zich in Dünebroek - Wijmeer, vlak over de grens bij Bellingwolde. ‘Das alte stürzt, es ändern sich die Zeiten und neues Leben blüht aus den Ruinen‘, citeerde hij Schiller in 1917. De ruïnes van de Tweede Wereldoorlog bezag hij onaangedaan en even volhardend als zijn huisvriendin, de weduwe van Rost van Tonningen.

 

Dat Hitler de oorlog aan het verliezen was, vervulde Jan Smid begin 1945 met grote zorg. Tegelijk met de opmars van de geallieerden zag hij met iedere dag ‘de verproletarisering van de boerenstand’ dichterbij komen.[231] De apotheose maakte hij niet mee. Hij overleed in februari 1945 in Oude Pekela. Na de bevrijding werden het Agrarisch Front en de Nederlandsche Landstand, en ook het Nederlandsch Arbeidsfront, op de lijst van verboden nationaalsocialistische organisaties geplaatst.

 

Was de opvatting van protectie van de boerenstand verdwenen? [232] Zeker niet. Juist door de ervaringen ermee tijdens de bezetting, werd het idee van een publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie voor de landbouw levend gehouden in de in 1945 opgerichte Stichting van de Landbouw, onder voorzitterschap van Herman Derk Louwes. Deze zou pas in 1959, een jaar voor zijn overlijden, zijn tot dan toe gekoesterde inzichten publiekelijk als ‘valse romantiek’ betitelen.[233] In 1954 werd de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie het Landbouwschap opgericht, met dezelfde Louwes als voorzitter.

 

Verzet tegen het Landbouwschap kwam van de zogenaamde ‘Vrije Boeren’. Zij traden sinds  1946 op als de landelijke vereniging Bedrijfsvrijheid in de Landbouw (BVL). Hun rechts-conservatieve benadering lag in het verlengde van het vooroorlogs verzet van vooral kleine, niet-akkerbouwende boeren tegen bepaalde crisismaatregelen en de bijbehorende overheidscontrole op hun boerenerf. In het parlement manifesteerden zij zich in de jaren zestig in de Boerenpartij van Hendrik Koekoek (1912-1981). [234]

 

Boerenprotectie was ook de drijfveer van de Groninger en herenboer Sicco Leendert Mansholt (1908-1995), neef van Louwes en de minister van landbouw die door zijn grootvader Derk Roelfs Mansholt (1842-1921) geïnspireerd was.[235] ‘Het groene front beschouwde landbouw als zijn eigen domein en had maar één behoefte: in zijn eigen koninkrijk te heersen, zonder inmenging van anderen.’ [236] Eerst in Nederland en daarna in Europa, toen Mansholt EU-commissaris in Brussel werd.

 

We slaan de periode van rond 1970 tot 2017 verder over. Nu, in 2018, wordt veertig procent van het EU-budget besteed aan boerenprotectie, onder de noemer van voedselzekerheid. En ook rommelt het weer aan het agrarische front. Volgens ‘het grootste opinieonderzoek ooit onder agrariërs gehouden’ is de agrarische sector dringend aan een andere koers toe.[237]  Het onderzoek onder de titel ‘De staat van de boer’ levert uitspraken op die aan Oost-Groninger Hildeshelmers doen denken, zoals  ‘de boeren en boerinnen zien hun erf omringd door een buitenwereld die hen niet begrijpt. Ze voelen zich in de hoek gezet door politici, media, supermarkten en milieuorganisaties.’ Ook herhaalt zich een sentiment dat we van L&M kennen, namelijk dat de agrariërs zeer kritisch zijn over hun eigen vertegenwoordigers: ‘ze willen een sterke man of vrouw die het voor hen opneemt.’ Hoogleraar Han Wiskerke laat er geen gras over groeien: ‘Nederland is toe aan een nieuwe Sicco Mansholt’. Boer zoekt Sicco: de nostalgie van een boerenstaat in de staat.

 


Besluit.

Mijn reis ging bij Bellingwolde de grens over, naar Hildesheim en verder door naar de Oost-Elbië, het land van het Pruisische Junkertum. In vogelvlucht. Terug land ik bij het bekende monument voor Boelo Tijdens, bij de brug over het Verenigd Kanaal in Vriescheloo. Ik kijk daar nu anders naar.

 

De obelisk, hard, hoekig en dwingend, staat ook voor Derk Barlagen, Tjark Bontkes, Jan Smid en de andere Oost-Groningers, die door ‘Hildesheim’ hun hart aan het Pruisische Junkertum van Bismarck en Hitler hebben verloren; direct of indirect. Zij waren de onbeschaamde organisatoren van een niet te bevatten harteloosheid.

 

Volgens de eerder aangehaalde Landré kan een akker langzamerhand geheel van onkruid worden gezuiverd. Die zuivering kwam er, maar heel anders dan Landré zich had kunnen voorstellen. De herenboeren werden door de voortgaande mechanisatie weer boer. Ze zitten zelf op de trekker.[238] De landarbeiders zijn vertrokken en in Oost-Groningen is bouwland onder water gezet. De herinnering aan wat vergald is, bleef.

 

 


Bijlage 1

Nieuwsblad van het Noorden, 04-06-1917

Ingezonden stuk.

 

Landbouw-organisatie.

Wij staan voor de aanvang van een nieuwe tijd. Door de moorddadige en alles verwoestende krijg die om ons woedt, worden maatschappelijke verhoudingen gewijzigd, oude tradities omvergeworpen, instellingen, die van blijvende aard schenen, storten ineen. “Das alte stürzt, es ändern sich die Zeiten und neues Leben blüht aus den Ruinen“. [Schiller] Tussen de hier ontstane bouwvallen vertoont zich een nieuw gezichtsveld, dat al onze blikken boeit. We zien daar liggen onze Nederlandse grond als cultuurbodem.

Vele stemmen weerklinken, oude stemmen uit een ver verleden en ook nieuwe, waarvoor de Nederlandsche grond eerst nu ontdekt werd. Er is echter één stem, die momenteel de anderen overheerst, het is de roep naar organisatie. In vele hoofden brak de schemering reeds door en het zal niet lang meer aanhouden dat we staan in het volle licht van de nieuwe dag.

 

Een organisatie moet er komen van allen, die belang stellen in de bodemcultuur, die zich ten doel stelt: Productieverhoging van den Nederlandse bodem ten behoeve van het Nederlandse volk. De organisatie zou onafhankelijk moeten zijn van politieke of godsdienstige partijen. Haar samenstelling zou een democratische moeten zijn, met dien verstande dat er onderafdelingen (aansluiting aan de bestaande landbouwverenigingen met gewijzigde, meer natuurkundige grenzen?) over het gehele land moeten worden opgericht, waarvan ieder één lid aanwijst om zitting te nemen in de raad van commissarissen, vormend het hoofdbestuur der organisatie. De onderafdelingen kunnen het best beoordelen wat in een bepaald district moet gebeuren en de hoofdleiding zal meer in grote trekken de lijnen moeten aangeven waarlangs in de toekomst land- en tuinbouw zich zullen bewegen. De hoofdtaak van de organisatie zal moeten zijn belangen van het platteland in het algemeen en van de land- en tuinbouw in het bijzonder te bevorderen. Zij zou het initiatief moeten nemen tot alles wat kan leiden tot productieverhoging van de bodem, waarbij zij de belangstelling voor het platteland moet trachten op te wekken en wakker te houden.

 

De werking van de organisatie moet op vele en velerlei wijze tot uiting komen. Zij zou het initiatief kunnen nemen tot:

het bevorderen van een betere verhouding tussen producent en consument;

het bevorderen van een betere verhouding tussen werkgever en werknemer;

het bevorderen van een doelmatig grondgebruik door goede pachtvoorwaarden;

het instellen van volkstuinen en schooltuinen;

het vestigen van kolonisten in te ontginnen of droog te leggen gebieden;

het verstrekken van grond aan landarbeiders, conform de conclusies van de Staatscommissie voor de landbouw, vastgesteld in haar rapporten;

het verstrekken van meerder krediet aan kleine boeren;

het stichten van land- en tuinbouwindustrieën; het uitbreiden van tuinbouw in daarvoor geschikte streken;

het oprichten van waterschappen en polders;

het verbeteren van bestaande en aanleg van nieuwe verkeerswegen. bevordering van den afzet van producten;

uitbreiding van het land- en tuinbouw-onderwijs;

verbetering der water- en lichtvoorziening op het land;

bevordering van den trek der stedelingen naar het platteland (zomergasten, vakantiekolonies;

bevordering van het verenigingsleven, enz., enz .enz.

 

Dit program is er vooral op gericht bij een ieder sympathie te kunnen opwekken voor het doel van de organisatie. Zij wil trachten de weg te bewandelen, die allen verbindt, zij wil langs deze vredelievende opbouwende weg de middelen tot verbetering der landelijke welvaart aangeven, overtuigd dat deze zal leiden tot vermeerdering van volkswelvaart.

 

Het orgaan van de organisatie, in de vorm van een weekblad heb ik mij aldus gedacht. Formaat van de Haagsche Post, aantal pagina's nader te bepalen, te verschijnen in grijsgroene kleur, met ’n naam, die overal de aandacht trekt: ‘De Veldgrijze’, Hollands weekblad gewijd aan de praktisch-ideële belangen der bodemcultuur.

 

Dit is in korte trekken geschetst een plan voor een grote economische beweging in Nederland. Het zal haar democratische taak zijn, de lijnen aan te geven waarlangs land- en tuinbouw zich in de toekomst zullen moeten bewegen. Reeds ontving ik betuigingen van instemming van verschillende zijden, ook gewerd mij de toezegging voor medewerking aan het weekblad door eersten in den lande op het gebied der bodemcultuur. Zelfs kapitaal voor een uit te geven weekblad werd ter beschikking gesteld en allereerst propagandisten op dit gebied willen zich geheel daaraan wijden. Er is evenwel veel meer nodig dan dit alles en wel de medewerking van ieder, die belang stelt in het boven omschreven doel. In het voorlopig comité zullen naast leidende personen van land- en tuinbouw en mannen uit de praktijk ook personen uit andere kringen, die in de bodemcultuur belang stellen, worden uitgenodigd zitting te nemen. Allen, die met bovenstaande sympathiseren, worden beleefd verzocht hun kaartje te zenden aan: T. BONTKES. Bellingwolde, 1 Juni 1917

 

 


Bijlage 2.

Nieuwsblad van het Noorden, 25-03-1931

Ingezonden stuk

 

Het probleem der landelijke vertegenwoordiging

 

(…)

De stoomhamer vernietigt niet het ijzerblok, maar deukt het ineen; wie hervormen wil, moet niet van buiten drukken, hij doet beter van binnen uit te beginnen. Daarom zal een agrarische partij weinig, een landbond veel kunnen bereiken Geen organisatie welke zich naast de landbouwvereniging als vakorganisatie, dus als belangenorganisatie aankondigt, maar een algemeen maatschappelijke landbond, welke als een landelijke welvaartsbond zijne intrede doet.

 

Nodig is, het verspreiden van inzicht, het bestuderen van landbouweconomische vraagstukken, het aanhangig stellen van hun oplossing, in de maatschappij en bij de regering, zulks alles gesteund door een actieve, georganiseerde macht. Dat kan een landbond, welke in zijn principes staat boven partijpolitiek. De landbouworganisaties kunnen dat niet, ze zijn vastgeklonken aan hun vakbelang en zullen in de staatkunde verdacht worden van eigenbelang en begeertebevrediging te zoeken.

 

Een landbond moet in de bestaande partijen kunnen werken en moet daarin trachten door zijn afgevaardigden zich te doen vertegenwoordigen. Een landbond heeft het in zijn macht de verschillende richtingen samen te binden, in plaats van de landelijken tegen elkaar uit te spelen. Evenals in Duitsland zullen die partijen gesteund worden, welke het program van de landbond onderschrijven.

 

Ik lees daaromtrent in de statuten van de Rijkslandbond: „Het bestuur maakt het de aangeslotenen tot plicht, bij de komende verkiezingen een zodanige tactiek te voeren welke de gehele macht en aaneengeslotenheid van den landbond doet gelden. De door de landbond gestelde kandidaten zullen zich door ondertekening verplichten, dat zij bij hun werkzaamheid als afgevaardigde met den landbond in nauwste voeling blijven, bij alle stemmingen de landbond-gedachte boven de partij-politiek zullen stellen en de aanwijzingen van den landbond volgen."

 

Mij leek een dergelijke organisatie ook voor ons land beter dan een agrarische partij en wel om de eenvoudige reden, dat men in samenwerking met de bestaande partijen, meer zal bereiken dan door strijd daartegen. Willen de partijen zulks niet, dan zou men kunnen besluiten eigen candidaten van den landbond te stellen, wat ik echter slechts noodgedrongen zou willen aanvaarden

 

Het economisch program van den landbond zou o.a. de volgende punten kunnen bevatten: 1. verbetering van de economische toestanden op het land;

2 het bevorderen van een betere verstandhouding tussen producent en consument;

3 het bevorderen van een betere verhouding tussen werkgevers en werknemers door hunne gezamenlijke belangen meer te belichten;

4 Het nemen van initiatief tot in net leven roepen van instellingen op het gebied van landelijke cultuur en economie ( volkshogescholen enz.);

5. verbetering van het verkeerswezen op het land;

6. steunen van ten ondergang dreigende landbouwindustrieën en takken van land- en tuinbouw;

7. ernstige studie van economische landbouwvragen en verspreiding van betere inzichten daaromtrent;

8. in hoeverre is het wenselijk en mogelijk de voor de volksvoeding meest nodige producten binnenlands voort te brengen;

9. kredietverstrekking aan de landbouw;

10. het inkomen uit landbouwbedrijf, in verband met het loonvraagstuk, de belastingen, maatregelen van sociale wetgeving enz.;

11. het pachtwezen, het Zuiderzeevraagstuk enz.

 

(…)

 

Mocht er voldoende sympathie in onze landelijke kringen bestaan het initiatief voor een landbond te steunen, slechts dan zou men daarmede van stapel kunnen lopen en als de Groninger landbouw het initiatief voor zich wil opeisen, dan leek ook mij de persoon van zijn voorzitter daarvoor de aangewezen persoon. Voordat wij verder gaan lijkt het mij daarom gewenst eerst de mening uit leidende kringen, speciaal van den heer Louwes, daarover duidelijker te vernemen.

 

Met beleefden dank,

Hoogachtend,

T. E. BONTKES

Bellingwolde, 20 Mrt. '31.

 

P.S. Na het schrijven van dit artikel, kwam het antwoord van den heer Louwes. Z.Ed. blijkt niet de taak van initiator voor een landbond of een agrarische partij op zich te willen nemen. Nochtans gevoel ik er voor eens een vergadering te houden, ten einde met de sympathiebetuigers van gedachte te wisselen. Deze zal dan na ruggespraak met enkele anderen worden geannonceerd.

 




[14] Zie eventueel Arne C. Jansen, Benvenuto! Welkom, in Bellingwolde!, verschenen in Terra Westerwolda, jaargang 6, nr 1, voorjaar 2017. 

[15] Zie over Oost-Elbië en zijn grondbezitters James Hawe, Duitsland in het kort (2017). Ook Charlotte A. van Manen, Duitschland’s groei en het Pruisische overwicht (1916).

[16]Junker: Polemische Bezeichnung für den ostelbischen Agrarier, für den seit dem 15./16.Jh. charakteristisch ist, daß er nicht wie ein Grundherr üblicherweise von der Grundrente lebt, sondern ein großes Rittergut mit Hilfe dienstpflichtiger Bauern selbst bewirtschaftet. Seit dem frühen 18. Jh. auch Ausdruck der Personalunion von Grundherr und militärischem Vorgesetzten.‘

[17] Vgl. Hans Rosenberg, Große Depression und Bismarckzeit (ed. 1975), blz. 102. Hans-Jürgen Puhle, in Agrarische Interessenpolitik und preußischer Konservatismus (1966), blz. 11. Vgl. ook Umberto Eco, Ur-Fascism (1995).

[18] Frank Westerman, De Graanrepubliek (1999), blz. 63/4 en 91, schrijft: ‘De boer was nog niet exclusief geclaimd door deze of gene ideologie’. Hij laat de Duitse ideologische ophemeling van het Bauerntum pas in 1929/1930 beginnen met Darré en noemt hem de bedenker van de Bauerntum-ideologie.

[19] Georg Bernhard, Meister und Dilettanten am Kapitalismus in Reiche der Hohenzollern (1936), blz. 176.

[20] James Hawe, Duitsland in het kort (2017), blz. 196.

[21] Jacobus Albertus Uilkens (1772-1825), Inwijdingsredevoering over den invloed der landhuishoudkunde, op het bestaan en de welvaart der burgerlijke maatschappij, gehouden bij het aanvaarden van deszelfs waardigheid, op den 29sten van slagtmaand 1815, blz. 32.

[22] R. Westerhoff (1801-1874), 'Redevoering ten betooge, dat de beoefening der Landhuishoudkunde eene alleraangenaamste en belangrijke bezigheid is, die door den beschaafden Noord-Nederlander vooral thans, meer dan ooit, verdient behartigd te worden', in: Tijdschrift van het Genootschap ter Bevordering der Nijverheid, gevestigd te Onderdendam 1/2 (1837/41), p. 332. Zie over dit Genootschap: Addens, blz. 14-23.

[23] Vgl. J.G. Veldink, W.C.H. Staring 1808-1877 Geoloog en landbouwkundige (1970); H. C. van Hall en W. J. D. van Iterson, De landhuishoudkundige school te Groningen -met leerlingenlijst, (1867).

[24] C.J. Geertsema (1822-1885), Het oordeel van de heer Staring over landbouw-onderwijs (1869). Geertsema citeert uit: E. Michelsen, Die Ackerbauschule in Hildesheim: ein Beitrag zur Charakterisirung der mittleren landwirthschaftlichen Lehranstalten (1868).

[25] Hildesheim, stad ten zuiden van Hannover, behoorde in 1858 nog tot het koninkrijk Hannover en had toen 16000 inwoners. Hannover werd in 1866 bij het koninkrijk Pruisen gevoegd en Hildesheim werd een Pruisische garnizoensstad. De stad groeide snel, had in 1871 20.000 inwoners en in 1900 43.000 inwoners. Ter vergelijking: de stad Groningen (1871) 38.500 en (1900) 66.500 inwoners.

[26] Karl Hey, Der mittlere und niedere landwirtschaftliche Unterricht in Deutschland, in: Zeitschrift für die gesamte Staatswissenschaft, Bd. 65, H. 2. (1909), blz. 233.

[27] Zie Ned. Staatscourant. 30-05-1888, Bijvoegsel rapport Landbouwcommissie, blz. 12. Het leerplan (1872) staat in A. Fürstenberg, Ackerbauschule zu Cleve und ihre Bewerbung um das Freiwilligenrecht (1872), in Pädagogisches Archiv, blz. 447 – 452.

[28] Algemeen Handelsblad, 18-12-1881.

[29] Bijv. eind jaren 1920 door Berend Roelofs (1912-1976) uit Finsterwolde.

[30] Hilde Krips-van der Laan, Woord en daad, de zoektocht van Derk Roelfs Mansholt naar een betere samenleving (1999), blz. 201-3, beweert, misschien misleid door Mansholts eigendunk, dat pas rond 1900 de eerste lichting Groninger boeren worden afgeleverd met tenminste middelbare of hogere landbouwschool.

[31] Eduard Michelsen, Vom Pflug zum Schwert, Kriegs-Erinnerungen der Landwirthschaftlichen Lehranstalt in Hildesheim an das Jahr 1870/71 (1876).

[32] Eduard Michelsen en Friedrich Nedderich, Geschichte der Deutschen Landwirtschaft, (1901), blz. 20.

[33] Friedrich Nedderich, Schulerinnerungen und Vorträge aus der Zeit von 1870-1901 (1902), blz. 249 e.v.

[34] Hildesheimer Denkschrift, betreffend die Berechtigung Landwirthschaftlicher Lehranstalten zur Ausstellung gültiger Zeugnisse fü den einjährigen Freiwilligen Militärdienst in: Pädagogisches Archiv, blz. 415-27. Vgl. ook A. Fürstenberg, Ackerbauschule zu Cleve und ihre Bewerbung um das Freiwilligenrecht (1872), in Pädagogisches Archiv, blz. 428-52.

[35] Friedrich Nedderich, Schulerinnerungen und Vorträge aus der Zeit von 1870-1901 (1902), blz. 270.

[36] A. Fürstenberg, Ackerbauschule zu Cleve und ihre Bewerbung um das Freiwilligenrecht (1872), in Pädagogisches Archiv, blz.. 429.

[37] Zie Lothar Mertens, Das Einjährig-Freiwilligen Privileg. Der Militärdienst im Zeitgeist des deutschen Kaiserreiches, in Zeitschrift für Religions- und Geistesgeschichte , Vol. 42, No. 4 (1990), pp. 316-329. Vgl. ook Wikipedia, lemma Einjährig-Freiwilliger.

[38] Ned. Staatscourant. 30-05-1888, Bijvoegsel rapport Landbouwcommissie, blz. 12.

[39] De Wekker, 30-09-1890.

[40] Friedrich Nedderich, Deutsche Wanderung und deutsche Arbeit im slavischen Osten (1900), in Schulerinnerungen und Vorträge aus der Zeit von 1870-1901 (1902), blz. 249.

[41] Friedrich Nedderich, Dr. Konrad Michelsen, der Begründer und erste Leiter der landwirtschaftl. Schule zu Hildesheim (188?).

[42] Achtste Jaarboek van de Landbouwhoogeschool te Wageningen (1926), blz. 51-2.

[43] C.J. Geertsema, Beschrijving van den landbouw in de districten Oldambt, Westerwolde en Fivelgo (1868) blz.83-4.

[44] C.J. Geertsema, a.w. blz. 94.

[45] C.J. Geertsema, a.w. 117-8.

[46] Otto S. Knottnerus, Oldambt: het Puukje van de geheele Provincie (1996; internetpublicatie).

[47] Zoals wordt beweerd in het artikel ‘Paleizen in Bellingwolde’, in Noorderland, nr. 3/2016, blz. 20.

[48] Bijvoorbeeld omdat dit als agrarische hovaardij wordt gezien, zoals verwoord in het slot van Een nieuw Liedeken tot verheffinghe van de Boeren (1701): ‘Met oorlof, gy boerinnen en boeren al te mael, al heb ik u geprezen, 't is maer in 't generael. Al zijt gy prijsens weerdig, al moet gy zijn geacht, zijt daerom niet hooveerdig, maer hout u zonder pracht; de ootmoed zult aenkleven, altijd in deugden leven; zijt dankbaer aen den Schepper en looft hem op dit pas en zegt ook alle dagen een Deo gratias.’

[49] R. Westerhoff, a.w. blz. 422-3.

[50] Otto S. Knottnerus, Oldambt: het Puukje van de geheele Provincie (1996; internetpublicatie).

[51] Alg. Handelblad 04-02-1893.

[52] N.v.h.N., 27-06-1917.

[53] Frederik van Eeden, Dagboek 1878-1923. Deel 3: 1911-1918, blz. 1633. Het anti-duits zijn van de vrouwen kan verschillende oorzaken hebben. Een ervan is mogelijk de volkomen onderschikte positie van de vrouw in Pruisen: de vrouw stond onder voogdij van haar man en mannen gedroegen zich daarnaar.

[54] Vgl. Willem Jan Nicolaas Landré (1841-1894), De Partij van Orde, in De Economist (1893), blz. 404-416.

[55] Vgl. W.N.J. Landré, Wat te doen tot verbetering van de landbouwtoestanden?, De Economist (1892), blz. 273 e.v.

[56] Vgl. Willem Jan Nicolaas Landré (1841-1894), De Partij van Orde, in De Economist (1893), blz. 404-416.

[57] Handelingen TK, 09-12-1892.

[58] Vgl. Piet Hoekman e.a., Een eeuw socialisme en arbeidersbeweging in Groningen 1885-1985, blz.43-4

[59] Prov, Drentsche en Asser Crt, 22-06-1886.

[60] Vgl. Geert Volders, Het enige en afdoende middel tot bloei en welvaart (2014), blz. 9.

[61] Otto S. Knottnerus, Boeren en landarbeiders in het Oldambt, De landarbeidersstaking van 1929 en haar voorgeschiedenis.

[62] Recht voor Allen, 04-09-1898.

[63] Geert Volders, Het enige en afdoende middel tot bloei en welvaart (2014), blz. 87: ‘Mansholts biograaf, Hilde Krips, stelt terecht dat het moeilijk is om de politieke opvattingen van Tijdens te traceren.’ Volders duidt Tijdens later aan als links-liberaal. Geert Volders, ‘De voorvechter van Westerwolde: Boelo Luitjen Tijdens en de Kanalisatie Vereeniging’ in: Historisch Jaarboek Groningen 2016, p. 102-117 : ill., krt., portr.

[64] Vgl. F.R. Elema, ‘Boelo Luitjen Tijdens’, Sibbe: maandblad van het Nederlandsch Verbond voor Sibbekunde (1944), 264-276. Tijdens wordt hierin verheerlijkend met Bismarck vergeleken; de woordkeuze van Elema’s bron verraadt Tijdens’ schoonzoon Tjark Eltjo Bontkes.

[65] N.v.h.N., 03-08-1892.

[66] Vgl. G.H. Sabine, A history of political theory (1959), blz. 714 e.v.

[67] Handelingen Tweede Kamer, 02-12-1892.

[68] Volgens Geert Volders, Het enige en afdoende middel tot bloei en welvaart (2014), blz. 90-1, was Tijdens grondbezitter in het Oldambt.

[69] Vgl. Klaas Dilling, Landschap Westerwolde, blz. 20. De Oldambster boeren waren in het algemeen niet geïnteresseerd in de ontginning van de woeste gronden van Westerwolde. Dit bleek ook in 1904. Het betreft de drie schatters, die namens het hoofdbestuur van het waterschap ’Westerwolde’ de gronden moesten schatten, die ten behoeve van de kanalisatie van Westerwolde moesten worden aangekocht of onteigend. In plaats van geld in de ontginning van Westerwolde te steken, kochten twee van de schatters en drie Bellingwolder boeren het Kloostergoed Dünebroek, 600 hectare ontginningsgebied vlak over de grens in Duitsland. De derde schatter, een landbouwer uit Beerta, hield de hand op de knip. Vgl. Arne C. Jansen, Zwanengebroed in het Kloostergoed. Over Oost-Groninger herenboeren en de teloorgang van hun landbouwbedrijf Kloostergoed Dünebroek (1904-1950) (nog te publiceren).

[70] Zie Nieuws van den Dag, 07-02-1892. De naam Partij van Orde ligt in de lijn van de benaming Parteien der Ordnung, waaronder in Pruisen c.q. Duitsland toen de extreem-rechtse partijen werden verstaan.

[71] Algemeen Handelsblad, 10-02-1893.

[72] Der Wahre Jacob, 16.01.1893 Jg. 10, Heft 169, S.1392.

[73] Nieuws van den Dag, 07-02-1892.

[74] Marie Willem Frederik (Willem) Treub (1858- 1931), liberaal econoom, politicus, hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam, en minister van Landbouw, Nijverheid en Handel, en minister van Financiën.

[75] Nieuws van den Dag, 07-02-1892.

[76] Alg. Handelsblad, 19-02-1893.

[77] Afbeelding in Simplicissimus (1912, blz. 715), met als opschrift ‘Ostelbien’.

[78] Nieuws van den Dag, 17-05-1893. Tijdens volgde de lijn van het Pruisische Staatsministerie.

[79] ‘De Tijd, 03-06-1893.

[80] Minister Tak van Poortvliet was in 1892 met een wetsvoorstel gekomen, waardoor iedere volwassen man die kon lezen en schrijven het kiesrecht zou krijgen. De aanneming van een wijzigingsvoorstel waardoor minder mensen kiesrecht zouden krijgen, was voor Tak reden om het wetsvoorstel in te trekken. De Kamer werd ontbonden en Taks voorstel werd inzet van de verkiezingen.

[81] Nieuwe Veendammer Crt., 17-04-1894.

[82] Opvatting van de Duitse Bund der Landwirte , waarover straks meer.

[83] Nieuwe Veendammer Crt, 27-03-1895.

[84] De Nieuwe Amsterdammer, 12-08-1896.

[85] Nieuws van den Dag, 17-02-1888.

[86] Vgl. Johannes Horstmann, over de Freie Wirtschaftliche Vereinigung en Centralverband Deutscher Industrieller zur Förderung und Wahrnehmung nationaler Arbeit« (CDI), in Die Wirtschaftspolitik des Zentrums und die handelspolitische Revision in den späten siebziger Jahren des vorigen Jahrhunderts (Jahrbuch für Christliche Sozialwissenschaften 24 (1983).

[87] Handelingen Eerste kamer,26-01-1892.

[88] Vgl. De Maasbode, 25-01-1888.

[89] Leeuwarder Crt., 30-09-1896.

[90] Telegraaf 24-03-1897: J. Doornbosch te Baflo, J. Borst te Delfzijl, H. J. Onnes te Beerta, allen burgemeesters; S. Rooda te Middelstum, P. Venhuizen te Loppersum, B.L. Tijdens te Nieuw-Beerta, J. Roelofs te Finsterwolde, allen landbouwers, G.B. Smit, wethouder van Veendam en A.A. Lubberts, hoofd der school te Kroonpolder.

[91] Nwe Veendammer Crt, 27-03-1897. De 16 afdelingen: Nieuw-Beerta, Nieuwe Schans, Klein Ulsda, Finsterwolde, Soheemda, Stedum, Nieuwolda, Borger-Compagnie, Meeden, Overschild, Sappemeer, Baflo, Blijham, Beerta, Farmsum en N. Scheemda.

[92] Alg. Handelsblad, 19-06-1897.

[93] De Standaard, 07-08-1897.

[94] Geert Volders, Het enige en afdoende middel tot bloei en welvaart (2014), blz. 72.

[95] Prov. Drentsche en Asser Crt, 25-02-1886. Verslag van de 23e algemeene vergadering der Schippersvereeniging „Schuttevaer", gehouden te Heerenveen op 27 Januari 1886. In de krant lezen we: ‘Doorgraving van het Zuidoosterrak. De heer B. L. Tijdens verklaart, dat de gemeente Westerwolde aan deze verbetering niets wil doen. Groningen heeft groot ongerief van het rak en wil het rak wel doorgraven. De kosten zijn geraamd op f 40.000. De Regering heeft f 1000 aangeboden. Besloten is zich tot de Regering en de gemeente Groningen te wenden, om verbetering te krijgen. De heer Tijdens zal daartoe concept-adressen bij het Hoofdbestuur inzenden.’ Met zijn handschrift is het, net als dat van uw artikelschrijver, niet best gesteld. ‘De voorzitter verzoekt de heer Tijdens duidelijk te willen schrijven, daar, zoals de voorzitter zei, het advocaten-pootje vorig jaar heeft aanleiding gegeven, dat men aan de gemeente Groningen in plaats van een waterkraan (waterleiding) een loskraan aanvroeg op een plaats, waar er toevallig één bestond, of althans in de onmiddellijke nabijheid. De heer Tijdens verklaart in mora [in gebreke] te zijn en zal trachten duidelijk schrift te leveren.’ De gemeenteraad van Groningen ging overigens niet akkoord.

[96] Alg. Handelsblad, 23-04-1893.

[97] Volgens Geert Volders, Het enige en afdoende middel tot bloei en welvaart (2014), blz. 103, kon er bij Tijdens geen sprake zijn van een politiek gegrond motief. De politieke carrière van Tijdens begon vrijwel op hetzelfde moment als zijn inzet voor de kanalisatie van Westerwolde, maar dit stond echter los van elkaar, aldus Volders.

[98] Hand. Tweede Kamer, 22-12-1892.

[99] In 1901 bij Tijdens aan de orde. Vgl. Nieuws van den Dag, 28-08-1901.

[100] Klaas Dilling, Kanalisatie en ontginning van het landschap Westerwolde (1917). De tekst is hoogstwaarschijnlijk van Tjark Eltjo Bontkes, schoonzoon van Boelo L. Tijdens.

[101] Marie Madeleine. Prinsen (1905-1987), De idylle in de achttiende eeuw in het licht der aesthetische theorieën (1934), blz. 1.

[102] P.J.H.M. Theeuwen, Pieter 't Hoen en de Post van den Neder-Rhijn (1781-1787) (2002), blz.60. Zie ook op het internet de brochure Wat zijn de oorzaken van den achteruitgang der Boeren? (1875?)

[103] Dit type conflict tussen een in belang afnemend platteland ten opzichte van de steden, had zich rond 1700 in Engeland afgespeeld, met een belangrijke rol daarin voor koning-stadhouder Willem III en de, in de ogen van vele Engelsen, Nederlandse bezetters. Londen werd toen Holland aan de Theems genoemd. De lange en hevige strijd ging tussen de Engelse landadel, de Tories, die een absolute monarchie wilden herstellen en de stedelijke rijken, de Old Whigs, die een constitutionele monarchie bewerkstelligden.

[104] Vgl. Petrus Hollenberg, Gerlacus van den Elsen, emancipator van de Noordbrabantse boerenstand (1956).

1853—1925

[105] Zoon van een zilversmid in Schoonhoven, werkzaam in Amsterdam en overleden in Hilversum.

[106] Apeldoornsche Courant, 09-12-1911. De Clercq was lid van de Liberale Partij en verloor in 1916 in het district Haarlemmermeer de strijd om een zetel in de Tweede Kamer van de confessioneel J.B. Bomans, vader van de schrijver Godfried Bomans. De Clercq zat ook op de lijn van de Bund der Landwirte. ‘Door alle tijden heen vinden wij bij economen en staatslieden trouwens de erkenning, dat een welvarend platteland de ruggengraat vormt van den Staat, of zoals het in een Amerikaans geschrift wordt uitgedrukt: ”of the basic industries agriculture is fundamentally important." Dit noopt ons’, vervolgt hij, ‘de bouw der maatschappij, haar noden en behoeften te bezien van onderaf, van uit haar grondslagen. Wat “fundamentally important" is (de voortbrenging van de bodem) moet ook als fundament dienen bij de maatschappijbeschouwing, moet ons economisch denken richting geven.’ S.W. de Clercq, De Nederlandsche akkerbouw voor, gedurende en na den oorlog (ESB, 30-08-1922 en 06-09-1922). Guaranty Trust Company of New York, Our Basic Industry, America’s Agricultural Prosperity (1920?). Regering en parlement kijken alleen maar naar wat in de steden voorvalt en stellen het belang van de stedelijke verbruiker, van nijverheid en handel en de erbij betrokken groepen boven alles, meent De Clercq.

[107] De andere oprichters waren Alexander Geerhardt Mörzer Bruijns (1877-1955) uit Apeldoorn, Johannes Petrus Tetterode (1867-1957) uit Lochem en Willem Woldering (1869-1930) uit Veendam.

[108] Was De Clercq opdrachtgever, de Heidemaatschappij was de aannemer van het ontginningswerk. Hendrik Prinsen (1897-1971) was hoofdopzichter van de Nederlandse Heidemaatschappij voor o.a. Westerwolde. Deze in 1888 opgerichte organisatie stelde zich vooral ten doel te bevorderen, dat de woeste gronden in Nederland zouden worden ontgonnen. ‘De Heidemaatschappij stootte als het ware ons volk wakker en deed veel om op dit gebied kapitaalkrachtige stedelingen en verwaarloosd of vergeten gebied met zijn bewoners tot elkaar te brengen’. Van de andere gebieden Jipsinghuizer en Sellinger Veld, Sellinger Beetse, Sellinger Veenen, Laudermarke, Loosterveen, Rhederveld en Weenderveld was de opdrachtgever de NV. Ontginningsmaatschappij ‘De Vereenigde Groninger Gemeenten’, in 1924 opgericht om met overheidsgelden de werkloosheid te bestrijden. Aandeelhouders waren gemeenten. Voorzitter was ds. Jan Buiskool (1875-1937). Vgl.Gedenkboek De Nederlandsche Heidemaatschappij 60 jaar (1948), blz. 184.

[109] Zie https://www.olmenhorst.nl/het-landgoed/historie.html.

[110] Vgl. K. P. S. S. Vossen, Vrij vissen in het Vondelpark. Kleine politieke partijen in Nederland 1918-1940 (2003), blz. 15.

[111] Vgl. K. P. S. S. Vossen, Vrij vissen in het Vondelpark. Kleine politieke partijen in Nederland 1918-1940 (2003), blz. 118, 125..

[112] N.G. Addens, Gedenkboek Groninger Maatschappij van Landbouw (1937), blz. 191 e.v.

[113] Nieuws van de Dag, 15-05-1907.

[114] Friedrich Engels, Die Bauernfrage in Frankreich und Deutschland (1894)

[115] Otto S. Knottnerus, Boeren en landarbeiders in het Oldambt, De landarbeidersstaking van 1929 en haar voorgeschiedenis.

[116] Het Volk, 10-08-1929.

[117] Het Volk, 18-04-1917.

[118] Prov. Drentsche en Asser Crt, 24-02-1921. Het resultaat komt opmerkelijk genoeg niet voor in N.G. Addens, Gedenkboek Groninger Maatschappij van Landbouw (1937).

[119] Vgl. Uitspraak en verweer, Ereraad voor de zuivering van het NVV (1945).

[120] Agrarisch Nieuwsblad, 19-07-1941.

[121] De Tribune, 12-03-1920.

[122] Deutsche Zeitung, 10-07-1941

[123] Zie citaat van de Bund der Landwirte bij Puhle, blz. 83: ‘Der Bund der Landwirte erblickt in der richtigen Würdigung und Lösung der Agrarfrage die Wiederherstellung der volkswirtschaftlichen Interessenharmonie auf der Basis des landwirtschaftlichen Grundbesitzes‘. Deze ideologie houdt in, ook bij Bontkes - zie bijlage 1- dat er geen sociaal conflict mag zijn; de aanname is die van een harmonische maatschappij.

[124] T. Bontkes, Landbouworganisatie bezien van het standpunt der volkshuishouding (15-09-1917), blz. 8 en10.

[125] Zie lemma Diederich Hahn in Wikipedia.

[126] Frank Westerman, De Graanrepubliek (1999), blz. 63/4 en 91, schrijft: ‘De boer was nog niet exclusief geclaimd door deze of gene ideologie’. Hij laat de Duitse ideologische ophemeling van het Bauerntum pas in 1929/1930 beginnen met Darré en noemt hem, ten onrechte, de bedenker van de Bauerntum-ideologie.

[127] Von Kiesenwetter, 26

[128] Von Kiesenwetter, blz. 30, 56, 62.

[129] Von Kiesenwetter, blz. 36-8.

[130] Vgl. Hans Rosenberg, blz. 159

[131] Georg Bernhard, Meister und Dilettanten am Kapitalismus in Reiche der Hohenzollern (1936), blz. 176.

[132] Alg. Handelsblad, 07-02-1914.

[133] Von Kiesenwetter, blz. 192.

[134] N.v.h.N., 04-06-1917.

[135] T. Bontkes, Landbouworganisatie bezien van het standpunt der volkshuishouding (15-09-1917), blz. 7.

[136] T. Bontkes, Landbouworganisatie bezien van het standpunt der volkshuishouding (15-09-1917), blz. 10.

[137] N.v.h.N. van 23-04-1917.

[138] Vgl. Otto von Kiesenwetter, Zehn Jahre wirtschafts-politischen Kampfes. Zum 18. Februar 1903 ; historische Darstellung der Gründung, des Werdeganges und des bisherigen Wirkens des Bundes der Landwirte. (1903), blz. 45-6..

[139] Wikipedia, lemma: Wirtschaftliche Vereinigung (Deutsches Kaiserreich). Ook met het ‘Kartell der schaffende (productieve) Stände‘ (1912), door tegenstanders tot Kartell der raffende (grijpgrage) Hände omgedoopt, zal Bontkes bekend zijn geweest.

[140] Winkler Prins Encyclopedie (1914), dl I, lemma Antisemitisme, blz. 713: ‘waarhij evenwel de 14 leden der “Oeconomische Vereeniging" (“Bund der Landwirte") gevoegd moeten worden, aangezien dezen ook antisemitisch zijn.’ Zie ook Hans-Jürgen Puhle, Agrarische Interessenpolitik und preußischer Konservatismus (1966), blz. 298-302; Hans Dieter Bernd, Die Beseitigung der Weimarer Republik auf legalem’ Weg: Die Funktion des Antisemitismus in der Agitation der Führungsschicht der DNVP (2004), blz. 35 e.v. over de Bund der Landwirte, die antisemitische ‘pressure group‘ des Kaiserreichs. Wikipedia, lemma ‘Bund der Landwirte’.

[141] Lammert Buning, Een merkwaardige Groninger in de Drentse dreven, blz. 81.

[142] T. Bontkes, Landbouworganisatie bezien van het standpunt der volkshuishouding (15-09-1917) bevat artikel plus toespraak op 3 of 4 september 1917 in Assen.’

[143] De Telegraaf, 25-02-2018.

[144] Prov. Drentsch en Asser Crt, 24-06-1921.

[145] Bontkes was geïnspireerd door Heinrich Nienkamp, Vorsten zonder kroon (1922). Zie ook http://resources.huygens.knaw.nl/ repertoriumkleinepolitiekepartijen.

[146] Zie Goudsche Crt, 04-01-1923.

[147] Bontkes, Landelijke cultuur (1923), blz. 23.

[148] Bontkes, Landelijke cultuur (1923), voorbericht.

[149] Peter Rosegger (1843-1918), Erdsegen (1900), blz. 386-7. Oostenrijks schrijver. Rosegger schrijft: ‘sagen das der Bauernhof ein kleiner Staat, und der Staat een großer Bauernhof ist‘. 

[150] Gunda Sossinka, Diederich Hahn, Direktor des Bundes der Landwirte. Sein Beitrag zur Diskussion um die Agrarpolitik des wilhelminischen Reiches (1974), blz. 251 e.v.

[151] Gerardus J.P.J. Bolland (1854-1922), De teekenen des tijds (1921). Hegeliaan; antidemocraat en antisemiet.

[152] N.v.h.N., 16-06-1923. Vgl. ook T.E. Bontkes, De landbouworganisatie bezien van het standpunt der volkshuishouding (1917).

[153] Landelijke Cultuur, blz. 39.

[154] Frederik van Eeden, Lied van schijn en wezen, blz. 30.

[155] Oswald Spengler, Untergang des Abendlandes (1920), dl I, blz. 490

[156] Lammert Buning, Een merkwaardige Groninger in de Drentse dreven, blz. 89, voetnoot 13.

[157]Hans-Jürgen Puhle, Agrarische Interessenpolitik und preußischer Konservatismus (1966), blz. 92.

[158] N.v.h.N., 11-03-1927.

[159] Deze boerderij was eigendom van zijn erfgenamen, weduwe Jantje Geessiena Tijdens-Ebbens (1857-1918) en haar kinderen. Bontkes en Deodatus schaften in november 1916 de boerderij in Veelerveen af en verkochten alle dieren, het volledige boerenbeslag en huishoudelijke artikelen; mogelijk om land en gebouw daarna in 1918 leeg te verkopen. Bontkes verkocht eind 1916 ook een boerderijtje in De Kuilen, tegenover de aardappelmeelfabriek en gelegen aan het Ruiten A-kanaal. In 1918 verkocht hij zijn villa Benvenuto in Bellingwolde. Hij verhuisde naar Assen om ontginningsbankier te worden. Bontkes vertrok in oktober 1921 met zijn gezin uit Assen naar Finsterwolde. Formeel bleef hij daar ingeschreven, ook al verbleven ze jarenlang in de gemeente Bellingwolde.

[160] Dilling, Kanalisatie en ontginning van het landschap Westerwolde (1917), blz. 55.

[161] Buning, Een merkwaardige Groninger in de Drentse dreven, blz. 77.

[162] Noord-Ooster, 26-06-1928.

[163] Vgl. Nieuwe Veendammer Courant, 20-12-1911, bijlage Landbouwblad voor de Veenkoloniën. Dilling uit Wolfsbarge is de grootvader (van moederszijde) van minister-president Mark Rutte.

[164] K. Dilling, Kanalisatie en ontginning van het landschap Westerwolde (1917), voorwoord.

[165] K. Dilling, Over nut, aanleg en onderhoud van schoolwerktuinen (1918), blz. 3-8. Zie voor dit bekende gezegde ook het Nieuws van den Dag, 03-08-1905, waar voorzitter van de kanalisatievereniging Westerwolde, dr. A.W. Tresling, opvolger van Boelo L. Tijdens, het gebruikt.

[166] Lammert Buning, Een merkwaardige Groninger in de Drentse dreven, blz. 81. Het zou gaan om Harm Onnes Ebbens (1827-1911) te Nieuw Beerta.

[167] Ebeltje Smid trouwde met Willem Lewering, die feitelijk het bedrijf voortzette.

[168] Jan Smid, Landbouw en Democratie, Het streven der democratie getoetst aan den landbouw (1922), blz. 6. Vgl. ook J. Smid, ‘Landbouw en socialisme’, Landbouwkundig Tijdschrift (1900, nrs 3 en 5).

[169] Prov. Drentsche en Asser Crt, 16-07-1935.

[170] Otto S. Knottnerus, Oldambt: het Puukje van de geheele Provincie (1996; internetpublicatie).

[171] N.v.h.N., 10-06-1931.

[172] Jan Everhardus Muntinga, Het landschap Westerwolde (diss. 1945), blz. 197.

[173] Willem Jan Nicolaas Landré (1841-1894), De Partij van Orde, in De Economist (1893), blz. 404-416.

[174] P.J.H.M. Theeuwen, Pieter 't Hoen en de Post van den Neder-Rhijn (1781-1787) (2002), blz. 47-8.

[175] K. P. S. S. Vossen, Vrij vissen in het Vondelpark. Kleine politieke partijen in Nederland 1918-1940 (2003), blz. 121. Van het landelijk stemmentotaal van deze partij leverden Drenthe en Groningen in 1922 vijfenveertig procent, in 1925 veertig en in 1929 nog dertig procent.

[176] N.v.h.N, 25-03-2031. Zie ook Wikipedia over de Reichslandbund.

[177] N.v.h.N., 25-03-1931. Bontkes in een P.S.: ‘Na het schrijven van dit artikel, kwam het antwoord van den heer Louwes. Z.Ed. blijkt niet de taak van initiator voor een landbond of een agrarische partij op zich te willen nemen. Nochtans gevoel ik er voor eens een vergadering te houden, ten einde met de sympathiebetuigers van gedachte te wisselen. Deze zal dan na ruggespraak met enkele anderen worden geannonceerd.’

[178] Prov. Drentsche en Asser Crt, 04-01-1932. De vader van Dieters was bestuurslid van de Drentse afdeling van de Plattelandersbond. Het besluit om de nieuwe partij, de Nationale Boerenbond, op te richten, werd op 17-12-1931 genomen tijdens een protestvergadering van veenkoloniale boeren in Ter Apel.

[179] Landelijke Cultuur, blz. 42.

[180] Jan Smid, Landbouw en Democratie, Het streven der democratie getoetst aan den landbouw (1922), blz. 5.

[181] Smids standpunt komt overeen met dat van Ernst Moritz Arndt, Über den Bauernstand und über seine Stellvertretung im Staate (1815), blz. 17.

[182] N.v.h.N., 12-02-1935.

[183] P.J.H.M. Theeuwen, Pieter 't Hoen en de Post van den Neder-Rhijn (1781-1787) (2002), blz. 45-6 en 59.

[184] H.J. de Ru, Landbouw en maatschappij; een analyse van een boerenbeweging in de crisisjaren (1980), blz. 101.

[185] Jan Smid, Landbouw en Democratie, Het streven der democratie getoetst aan den landbouw (1922), blz. 65.

[186] Jan Smid, Landbouw en Democratie, Het streven der democratie getoetst aan den landbouw (1922), blz. 15. Zie ook J. Smid, Economische Dwalingen en de Landbouwproductie, in Economisch-Statistische Berichten, 13-04-1921 en de kritiek hierop van J. Bierens de Haan in ESB, 04-05-1921.

[187] J.H. de Ru, Landbouw en Maatschappij, een analyse van een boerenbeweging in de crisisjaren (1980), blz. 125. Zie voor een socialistische kritiek op de agrarisch-fundamentalistische ideologie het SDAP-rapport Het Landbouwvraagstuk (1933), blz. 8: ‘De tegenstelling platteland - stad is geen wezenlijke, zij vindt haar ontstaan slechts in dichterlijke verbeelding en overdreven waarde toekenning aan feiten, die zich slechts tijdelijk en min of meer incidenteel demonstreren.’

[188] De SDAP maakte tot augustus 1939 geen deel uit van de kabinetten in Nederland.

[189] Vgl. Oswald Spengler, Preussentum und Sozialismus (1920).

[190] J.H. de Ru, Landbouw en Maatschappij, een analyse van een boerenbeweging in de crisisjaren (1980), blz. 93-4.

[191] N.v.h.N., 07-02-1932.

[192] N.v.h.N., 04-01-1932.

[193] Volk en Vaderland, 01-12-1934.

[194] De Noord-Ooster, 04-11-1933.

[195] H.M.L. Geurts, Herman Derk Louwes, burgemeester van de Nederlandse landbouw (1893-1960), (2002), bijlagen 3.1. en 3.2. Deze getallen zijn onzuiver. Bij geen van de organisaties waren alleen boeren lid en veel boeren waren lid van meer dan één organisatie. G.M.T. Trienekens, Tussen ons volk en de honger, de voedselvoorziening 1940-1945 (1985), blz. 70.

[196] Jan Everhardus Muntinga, Het landschap Westerwolde (diss. 1945), blz. 198.

[197] Nanno Gerhard Addens (1892-1971), Groninger Maatschappij van Landbouw, 1837-1937 (1937), blz. 181-187; 195-198.

[198] Alg. Handelsblad, 18-07-1939. Radiotoespraak van 27-01-1939.

[199] H.M.L. Geurts, Herman Derk Louwes, burgemeester van de Nederlandse landbouw (1893-1960), (2002), blz. 36.

[200] Vgl. Daniël Broersma, ‘Een rijke bron van volkskracht’, het ideeëngoed van H.D. Louwes in de jaren dertig, in Wonderland achter de horizon (diss. 2005), blz. 91-9.

[201] ‘Schon die Möglichkeit der Erhaltung eines gesunden Bauernstandes als Fundament der gesamten Nation kann niemals hoch genug eingeschätzt werden. Viele unserer heutigen Leiden sind nur die Folge des ungesunden Verhältnisses zwischen Land- und Stadtvolk.‘ Adolf Hitler, Mein Kampf, blz. 151.

[202] Handelingen Tweede Kamer, 28-11-1933;29-11-1933;30-11-1933.

[203] Advertentie van de afd. Groningen van L&M, in De Noord-Ooster, 16-04-1935: ‘Bij de Liberale Staatspartij de Vrijheidsbond wordt het een groot bezwaar geacht, dat op de lijsten in deze provincie de heeren E. H. Ebels te Groningen en H. H. de Haan te Hellum de eenigste kopcandidaten zijn, die als lid onzer beweging staan ingeschreven. Hetzelfde kan worden opgemerkt bij den Vrijzinnig Democratischen Bond, waar de heer D. Kloppenburg te Grijpskerk de eenige kopcandidaat is, die lid onzer beweging is.’

[204] Vgl. J.H. de Ru, Landbouw en Maatschappij, een analyse van een boerenbeweging in de crisisjaren (1980). De NSB was en bleef een kleine, eigenaardige partij, die nog voor de oorlog de helft van haar kiezers verloor. Ze behaalde in 1939 landelijk niet meer dan 3, 89% van de stemmen. Haar aanhang zat vooral in de stedelijke gebieden.

[205] N.v.h.N. 06-11-1933.

[206] In Nederland mochten militaire en burgerlijke ambtenaren vanaf 1933 geen lid zijn van de SDAP, van kleinere linkse partijen en – enige tijd later – van de NSB. In 1938 werd de SDAP weer van deze lijst geschrapt.

[207] J.H. de Ru, Landbouw en Maatschappij, een analyse van een boerenbeweging in de crisisjaren (1980), blz. 206.

[208] De Noord-Ooster, 26-03-1934. 

[209] Prov. Overijsselsche en Zwolsche Crt, 03-06-1937.

[210] Vgl. Het Volk, 09-10-1931.

[211] http://www.boerderij.nl/Home/Achtergrond/2011/2/Boerenland-in-boerenhand-AGD561149W/

[212] F.B. Löhnis, Gedenkboek der Nederlandsche Heidemaatschappij (1888-1913), blz. 52. Hij schreef in 1886 over ‘De Deensche Heide-Maatschappij’ en was de initiatiefnemer van de Nederlandsche Heide-Maatschappij. Zie ook http://www.dbnl.org/tekst/_jaa003192801_01/_jaa003192801_01_0013.php.

[213] F.B. Löhnis, Gedenkboek der Nederlandsche Heidemaatschappij (1888-1913), blz. 52.

[214] Leeuwarder Crt., 29-03-1917.

[215] N.v.h.N., 23-04-1917. Vgl. ook de brochure Het genot van ’t buitenleven (1917), met daarin een bijdrage van Klaas Dilling.

[216] N.v.h.N., 11-03-1932.

[217] G. Dieters, Handelingen Tweede Kamer, 15-11-1939.

[218] Anders dan Frank Westerman, De Graanrepubliek (1999), blz. 63/4 en 91. ‘De boer was nog niet exclusief geclaimd door deze of gene ideologie’, aldus Westerman. Ten onrechte laat hij de Duitse ideologische ophemeling van het landvolk pas in 1929/1930 beginnen met Darré en noemt hem de bedenker van de Bauerntum-ideologie. Vgl. ook Gunda Sossinka, Diederich Hahn, Direktor des Bundes der Landwirte. Sein Beitrag zur Diskussion um die Agrarpolitik des wilhelminischen Reiches (1974), blz. 255.

[219] In 1923 1,7 miljoen leden.

[220] Vgl. Friedrich Nedderich, ‘Wehr- und Nährstand, oder über die Wechselbeziehung zwischen Wehrpflicht und staatbürgerlichem Rechte des Deutschen‘ (1879), in Schulerinnerungen und Vorträge aus der Zeit von 1870-1901 (1902), blz. 65.

[221] Hovinga, die een landbouwopleiding in Poppelsdorf bij Bonn volgde, werd later een Groningse dichter.

[222] Agrarisch Nieuwsblad, 20-05-1940.

[223] J.H. de Ru, Landbouw en Maatschappij, een analyse van een boerenbeweging in de crisisjaren (1980), blz. 240.

[224]. Vgl. Johan Brand de Boer en Willem Jonkman, Militair gezag in Groningen (1990), blz. 209, 311. Het aantal in beheer genomen bedrijven komt op de manchet berekend grofweg overeen met 15% van het aantal L&M-leden in 1940.

[225] W.E. Meiboom, Bijzonder bestraft : context, analyse en waardering van de bijzondere rechtspraak door de Kamer Groningen van het Bijzonder Gerechtshof Leeuwarden en van cassaties in Groningse zaken (diss. 2016), blz. 156. Haar redenering dat een en ander te maken zou hebben met armoede resp. rijkdom lijkt me te oppervlakkig.

[226] Leeuwarder Crt, 13-02-1941.

[227] Vgl. Ds. Harm van Lunzen, Waarheen werden de boeren geleid (1964), blz. 55. Van Lunzen, dominee te Odoorn (Dr.) waarschuwde actief tegen de NSB-L&M connectie.

[228] Ook kreeg Bontkes geen benzine. Hij vroeg Rost van Tonningen een benzinevergunning voor hem te regelen. ‘Ik heb dat ding voor de oorlog gekocht, extra in nationaal-socialistische kleur (rood-bruin) te Frankfurt laten schilderen. Het vierbladig klaverblad, als nationalistisch symbool van het zonnerad, prijkt er op onder de adelaar.’ Hij kreeg geen benzine en vroeg Rost toen of hij een koper wist voor zijn ‘2 L. Adler. Prachtauto’.

[229] Zie over Louwes en de voedselvoorziening G.M.T. Trienekens, Tussen ons volk en de honger, de voedselvoorziening 1940-1945 (1985), blz. 88.

[230] Agrarisch Nieuwsblad, 13-06-1940.

[231] Drentsch Dagblad, 02-03-1945.

[232] Vgl. IJnte Botke, Boer en heer, ‘De Groninger Boer’ 1760-1960 (2002), blz. 512-3..

[233] Daniël Broersma, Wonderland achter de horizon (diss. 2005), blz.176. In 1956 was Louwes nog niet zover. Hij kreeg toen vrijwel algehele instemming van de Friesche Maatschappij van Landbouw, toen hij klaagde dat het volk niet ‘landbouw-minded’ was, omdat de spraakmakers teveel in de stedelijke, Hollandse sfeer zaten en een stedelijke beschouwingswijze hadden. Hij eiste voor de boeren een groter aandeel in het volksinkomen, ten koste van de anderen. Verder stelde hij een pressie- en lobbyorganisatie van boeren voor, een revival van L&M van Jan Smid. Wat L&M en Smid destijds wilden, was volgens Louwes mislukt door de opkomst van het nationaalsocialisme. Leeuwarder Crt, 15-11-1956.

[234] Vgl. de CHU-brochure ‘Bedrijfsvrijheid in den landbouw’ (1940) van ir. Marinus Barend Smits (1884-1943).

Volgens Ismee Tames, Doorn in het vlees (2013), blz. 159, was de Boerenpartij geïnitieerd door oud-NSB’ers.  Koekoek, uit de CHU afkomstig, was zelf onverdacht en had zo zijn eigen opvattingen over ‘goed’ en ‘fout’.

[235] Hilde Krips-van der Laan, Woord en daad, de zoektocht van Derk Roelfs Mansholt naar een betere samenleving (1999), blz. 196, over de inclusiviteit van het hele platteland bij Mansholt: ‘de belangen van de eigenerfde boeren, van de pachters, van de landarbeiders en zelfs van alle plattelandsbewoners’. Zie ook blz. 213-4, 238.

[236] Johan van Merriënboer, Mansholt, een biografie (2006), blz. 172.

[237] Trouw, 19-06-2018.

[238] IJnte Botke, Boer en heer: "de Groninger boer" 1760-1960 (2002), blz. 2.


Arne C. Jansen LL.B. (1940) is thans onderzoeker van het leven en werk van Bernard Mandeville en werkt aan de integrale, geannoteerde vertaling van Mandevilles oeuvre. 1953-1958 Gem. HBS te Winschoten. Opleiding Russisch aan de School Militaire Inlichtingendienst te Harderwijk. Studeerde aan de universiteit van Amsterdam. Managementopleiding aan het instituut voor Hoger PTT-personeel ‘Voorlinden’ te Wassenaar, van 1962-1966. Werkte tot 1994 als senior manager van diverse operationele - en stafafdelingen op lokaal, regionaal en concernniveau bij PTT/KPN.

Van zijn hand is ook het artikel over de villa Benvenuto in Bellingwolde, hetgeen zijn band met deze regio duidelijk maakt.



Ċ
OGH.pdf
(2081k)
Historie Bellingwedde,
12 jul. 2019 11:41