Benvenuto




Dit markant gebouw was villa Benvenuto, Hoofdweg 46 in Bellingwolde. Voor de oorlog was dit de woning van Burgemeester Heertje Venema van de gemeente Bellingwolde, later was het gebouw in gebruik bij de Rijkspolitie. Het heeft plaats moeten maken voor de komst van het nieuwe politiebureau. Tegenwoordig is hier assurantiekantoor Roelf Pot gevestigd.


Wie heeft nog verhalen/herinneringen over dit gebouw of over de voormalige bewoners? Vroegen we een hele tijd terug.

Inmiddels hebben we al veel informatie binnen over de geschiedenis van Benvenuto. De heer Arne Jansen, die vroeger in dit huis heeft gewoond is in de geschiedenis van het huis gedoken. We zijn er heel content mee, dat wij zijn verhaal hier mogen publiceren, waarmee weer een stuk historie is vastgelegd. Hartelijk dank hiervoor.


Benvenuto! Welkom, in Bellingwolde!

 

Een verhaal over de laatste periode van deze villa en haar bewoners


1 Benvenuto in de periode van de Jansens

Wie heeft nog verhalen over of herinneringen aan de villa Benvenuto in Bellingwolde of voormalige bewoners ervan? Ik las de vraag op de website van Streekhistorie Bellingwedde.  De bekende ansichtkaart van Benvenuto, ‘welkom’ in het Italiaans, bij de Rijkspolitie in Bellingwolde, stamt uit de periode 1950-1956, toen wij daar woonden. Ik weet er dus wel iets van. Over een iets langer tijdvak, tot medio 1959, gaat mijn verhaal. Het is gebaseerd op mijn herinnering. Maar dit geldt niet voor de informatie waarmee ik begin, namelijk over Benvenuto en de politieorganisatie van voor 1950. En ik besluit met gedachten over de bouw en afbraak van Benvenuto in relatie tot de eerste bewoners van het gebouw.

Benvenuto voor 1950

Benvenuto moet in 1912/13 zijn gebouwd. ‘Daar rijze op stuivend zand een lachend paradijs’, declameerde Tjark Eltjo Bontkes.[1] De jonge herenboer uit Finsterwolde, geboren in 1885, getrouwd met Lucretia Tijdens en vader van een zoon, was de opdrachtgever voor de bouw van Benvenuto, Hoofdweg A 200 in Bellingwolde. Zijn moeder Sietske Addens kwam uit Bellingwolde en hij was daar vaak bij zijn grootouders. Bellingwolde was hem zeer dierbaar. Op Bontkes en zijn gezin, in Benvenuto uitgebreid met twee dochters, kom ik aan het eind terug.

Bontkes hield zijn paradijs eind 1919 al voor gezien. Hij verhuisde naar Assen.[2] De gemeente kocht de villa van hem met het oog op het voorgenomen huwelijk van burgemeester Heertje Venema (1885-1976), in functie vanaf 1917, om dienst te doen als ambtswoning voor de burgemeester. De koopsom was 23000 gulden. Venema woonde van begin 1920 tot kort na de Tweede Wereldoorlog met zijn gezin in Benvenuto. Zijn opvolger Willem Vasbinder (1900-1974), burgemeester van 1946 tot 1965, koos de woning Hoofdweg B 1. Benvenuto was vrij.

De politie voor 1950

Voor de Tweede Wereldoorlog hadden de grotere steden gemeentepolitie. Daarbuiten werden de politietaken uitgevoerd door gemeenteveldwachters en de Koninklijke Marechaussee, die als een rijkspolitie fungeerde. De Duitse bezetter centraliseerde alle politietaken in een nationale politie, de zogenaamde Staatspolitie. De Koninklijke Marechaussee werd opgeheven. Na de oorlog kregen steden met meer dan 25000 inwoners weer gemeentepolitie. Het nieuwe korps Rijkspolitie werd belast met de politietaken in de overige gemeenten.

In Bellingwolde zat de Rijkspolitie eerst in de marechausseekazerne op het adres Hoofdweg A 191, tegenover Benvenuto. Onder leiding van opperwachtmeester Dijkstra, die in 1947 werd opgevolgd door opperwachtmeester Koning. De brigade van de heropgerichte Koninklijke Marechaussee, nu alleen als militaire politie en grenspolitie, werd in november 1947 in de marechausseekazerne gehuisvest. Tegenover de kazerne, in Benvenuto, was intussen de meest praktische en goedkoopste oplossing gerealiseerd voor het politiebureau en de ambtswoning van de groepscommandant van de Rijkspolitie.

Benvenuto en zijn bewoners vanaf 1950

‘Welkom bij de Jansens in Bellingwolde’ had er op de ansichtkaart bij kunnen staan. Want het grootste deel van deze villa met nog twee paardenstallen achter de garage en een grote tuin eromheen was de woning van de groepscommandant Henk Jansen met zijn vrouw en hun vijf kinderen. Zij hadden ieder afzonderlijk en ook samen al de nodige omzwervingen achter de rug voor ze hier terechtkwamen.

Benvenuto werd maar voor een klein deel in beslag genomen door het politiebureau. Achterom, zoals op het bord aan de gevel stond. Daar waren twee kamers achter elkaar, aan de rechterkant van het gebouw. De Harley Davidson motor met zijspan stond in de garage en een van de twee wc’s in de natte of spoelkeuken was van de politie. Er was geen politiecel. Die was in de marechausseekazerne.

Alsnog welkom bij de Jansens. Let bij de ansichtkaart op het spiegeltje in de slaapkamer onder het linker torentje. Het is van mijn oudste zus. Je ziet het ook op de volgende foto, uit november 1954. Mijn vader in burger, toen 49 jaar oud en mijn moeder Neeltje Hazekamp, 44 jaar oud, fietsend op de oprit van Benvenuto. Keurige mensen, aan wie je niet af ziet dat ze in hun hart nomaden waren. Geen zeldzaamheid onder politiemensen. ‘s Avonds met de gordijnen dicht ben ik overal thuis, zei mijn moeder. En, zoals ik nog zal verduidelijken, Benvenuto kon haar gestolen worden. Ze was het liefst meteen weggefietst; met man en kinderen, dat wel.


2 De heer Henk Jansen en mevrouw Neeltje Jansen-Hazekamp

Uit wat voor nest kwamen ze? Mijn vader kwam uit de streek Haulerwijk-Norg, waar opa Jansen zijn klanten brood en kruidenierswaren bracht en oma hun buurtwinkel dreef. Hij was opgeleid bij het Korps Politietroepen in Nieuwersluis en daarna, het spoor van de politie(re)organisatie volgend, op verschillende plaatsen in dienst bij achtereenvolgens de Koninklijke Marechaussee, Staatspolitie en Rijkspolitie.

Opa Hazekamp was twaalf en een half jaar beroepsmilitair in het Oost-Indisch leger geweest voordat hij trouwde en bij de posterijen in Nieuweschans ging werken. Mijn moeder had al jong een eigen kapsalon in Zuidlaren. Ze moest deze sluiten toen ze met haar marechaussee trouwde. Met grote tegenzin, die ze nooit overwon, mocht ze alleen maar huisvrouw zijn.[3]

Ik heb mijn vader nooit op iets van een dialect betrapt. Hij zag het als zijn plicht Nederlands te spreken, zodat iedereen hem kon verstaan. Mijn moeder was in alle opzichten Gronings. Ze woonden nog maar kort in Zuidhorn toen mijn vader in 1950 tot groepscommandant in Bellingwolde benoemd. Waarom hij? Binnen de Rijkspolitie werd overleg gevoerd met mogelijke kandidaten over eventuele overplaatsingen. Ik herinner me gesprekken over functies die niet doorgingen, omdat mijn ouders bezwaren hadden. Wat Bellingwolde betreft kan wat ik later van mijn oudste broer hoorde, hebben meegespeeld, namelijk dat de verzetsman Vasbinder, wonend in Haren en mijn vader bij de politie in Groningen al tijdens de bezetting van elkaars bestaan op de hoogte waren.[4]

Politie en verhuizen hoorden bij elkaar. Als kind kwam je en ging je, zomaar, zonder welkom te worden geheten en zonder afscheid te nemen. De vijf kinderen waren in vier verschillende plaatsen geboren. De twee oudsten, die in 1950 zestien en veertien jaar oud waren, in de marechausseekazerne van Sloten (Fr), ikzelf, tien jaar oud, in die van Uithuizen, de ene na jongste, drie jaar oud, in Groningen, en de jongste, een jaar oud, in de politiekazerne in Zuidhorn.[5]

Eind augustus betrokken ze tijdelijk de linker woning, het adres A 190, van de marechausseekazerne in Bellingwolde. Want de oudste drie kinderen moesten in september naar hun nieuwe school en Benvenuto konden we nog niet betrekken. De Westerschool, in de vijfde klas bij meester Jansen, was mijn derde lagere school. Vanaf begin december 1950 was Benvenuto, A 200, het zevende woonadres van mijn ouders. Achteraf bezien waren ze pas halverwege het totale aantal woonadressen dat ze samen zouden hebben.

Onbewoonbaar

Wie in zo’n kast van een huis woont, heeft begrijpelijk de schijn tegen. Dat werd me op school onmiddellijk duidelijk gemaakt. Ik moest wel een zak geld hebben. Maar de feiten lagen anders. De Jansens moesten van een naoorlogs ambtenarensalaris zien rond te komen. ‘Vast werk, vaste armoe’, werd er van ambtenaren gezegd. In hun geval geen armoe, omdat ze zuinig genoeg waren. Ze hadden niet de dikke portemonnee om ook maar enigszins gerieflijk te kunnen wonen in een pand waarom ze niet gevraagd hadden en waarin alles te hoog, te groot en te weinig geïsoleerd was.

Er waren drie toegangen op de begane grond. Een soort bordestrap aan de zijkant naar een grote hal. Achter op de hoek een trap naar de natte of spoelkeuken met waterleiding, een pomp voor de regenput, een elektrische boiler en petroleumstel op het aanrecht. En in het midden achter was de trap naar de lange middengang, die groot genoeg was om een balletje te trappen. Aan de ene kant hiervan bevond zich het politiebureau.

Aan de andere kant van de middengang kwam na de al genoemde spoelkeuken met de wc’s een grote kookkeuken met een elektrisch fornuis, vroeger ook het werkverblijf van de bedienden, want, vergane glorie, het kastje van het defecte elektrische belsysteem, met kamernummers, hing nog aan de muur. We aten daar of in de woonkamer.

Aan de voorkant waren twee grote kamers, gescheiden door suitedeuren. Onze woonkamer, achterkamer genoemd, lag aan de kant van de oprit. Feitelijk werd alleen deze kamer verwarmd. In de kookkeuken was het behaaglijk als er het eten werd bereid. De andere kamer was zogezegd de voorkamer, die weinig gebruikt werd.

Tussen het politiegedeelte en deze voorkamer was een badkamer met een bad zonder warm water en een douche met een elektrische boiler, waarvan de capaciteit te klein was voor meer dan één douchebeurt.

Vanuit zowel de achterkamer als de voorkamer kon je via een deur in de serre voor, in feite een grote erker, komen. Deze serre werd niet gebruikt, behalve voor de geraniums van mijn moeder, die op de ansichtkaart vereeuwigd zijn. Ook kwamen we zelden in de grote schaars gemeubileerde houten serre, later aangebouwd, aan de zijkant van het huis, met een trap naar de tuin.

In de spelonkachtige kelders onder het hele huis door, met de nodige weckflessen en Keulse potten van mijn moeder, stond ook de ketel van de centrale verwarmingsinstallatie. Die deed het niet.

Een brede trap in de hal, met zo’n leuning waarop je naar beneden kon glijden, leidde naar de eerste verdieping. Daar waren vijf slaapkamers, twee onder de torentjes, een bij de inpandige loggia of balkon, en zowel links als rechts hiervan een slaapkamer onder het schuine dak met een dakkapel. Over de vliering bovenop de slaapkamers kon je via een betrekkelijk kleine opening in de muur, zonder deur, in een nutteloze ruimte met kleine raampjes onder het rechter torentje komen. Toen we het huis betrokken, troffen we daar een zacht gonzend tapijt van een dertig centimeter dik aan, bestaande uit levende, halfdode en dode vliegen. Behalve in de zomer waren alle ruimtes zonder verwarming kil en koud, ’s winters ijskoud. Vooral in de natte keuken op de noordoosten was het dan niet te harden.

Ook de grote tuin rondom moest natuurlijk worden bijgehouden. Er werd wat afgeharkt, de boomgaard leverde meer op dan we aankonden en van de groentetuin herinner ik me vooral de grote hoeveelheid bonen die we moesten afhalen. Ik voel nog de spanning van het onweer. Hoge gebouwen zouden de bliksem aantrekken. Inderdaad, er brandde nogal eens een boerderij af. Maar of dit alleen door blikseminslag kwam, geloof ik niet. Het onweerde voor ons gevoel vaak en langdurig in Bellingwolde. Bed uit, samen wachten in de woonkamer. Tellen. Hoe ver is de bui weg? Neemt de Dollard haar of komt ze weer terug? Nog steeds begin ik automatisch seconden te tellen als ik een donderslag hoor.

Zoals gezegd, Benvenuto kon mijn moeder gestolen worden. De reden: de zwarte kant van deze witte villa. Wat was er aan de hand? Terwijl opperwachtmeester en later adjudant Jansen als groepscommandant volgens politiegebruik zeven etmalen per week met de dienst getrouwd was (in zijn zogenaamd vrije tijd zat hij vaak op het bureau voor het typen en controleren van processen-verbaal), had zijn vrouw de taak om naast haar hele gezin ook nog eens Benvenuto huishoudelijk draaiende te houden. De woning was enorm bewerkelijk. Ze was ook belast met de zorg voor het politiegedeelte, voor de koffie en thee voor de politiemensen en hun al dan niet vrijwillige bezoekers en voor de politielogees in de cel van de marechausseekazerne. Ook wij kinderen brachten wel eten naar de overkant. Ze zwoegde als huisvrouw, wat bepaald geen uitzondering was in een tijd zonder de huishoudelijke apparaten van nu, maar deze situatie was gewoonweg niet doenlijk. Haar gezondheid leed eronder. Na enige tijd kwam er een hulp om het bureaugedeelte schoon te houden.

Benvenuto was simpelweg een uitzuiger. Ik mag nu wel iets verklappen. Mij schieten de verkiezingen in de zomer van 1952 te binnen. ’s Avonds laat in de woonkamer, mijn moeder was bezig met een flinke stapel strijkgoed. De radio stond aan en de verkiezingsuitslagen kwamen door. Willem Drees won en mijn moeder zong niet heel zacht de socialistenmars met de regel ‘Verlossing uit de slavernij’ mee. Hoe anders mijn vader, ook buitenkerkelijk, maar van hem heb ik persoonlijk nooit iets over de politiek gehoord, afgezien van de oorlogsjaren en wat er daarna, denk aan de zuivering, is gebeurd. Ik heb begrepen dat een liberale partij hem wel zinde.

 

Gezellig

Wel was het in Benvenuto gezellig. Dat zat hem in de mensen. Er waren altijd politiemensen en al dan niet vrijwillige bezoekers. Politiemensen zijn ook maar gewone mensen, die specifiek werk moeten doen waarzonder wij mensen niet ordentelijk kunnen samenleven. De rijkspolitiegroep Bellingwolde bestond uit een man of veertien.[6] Er was altijd wel wat aan de hand. Niet alleen maar kommer en kwel. Op zijn tijd werd er gegniffeld en ook smakelijk gelachen om allerlei personen en voorvallen. Heel Bellingwolde en omstreken, en verderop, zoals de inzet als gevolg van de watersnood in 1953, kwamen voorbij.

 

3 De heren Swarts, Klein en Engelkes

De groepscommandant had geen eigen kamer in het politiebureau. De districtscommandant van het district Winschoten kapitein Van Kuik en ook de districtsadjudant Van der Jagt kwamen dus bij ons in de woonkamer op bezoek. Steevast na afloop van hun dienst in de Nieuwjaarsnacht, maar niet alleen dan, kwamen dienstdoende politiemensen gezellig bij ons thuis. Met een warm gevoel kijk ik naar de foto die toen in onze woonkamer is genomen, met van links naar rechts de wachtmeesters Swarts, Klein en Engelkes.

Afscheid van Benvenuto

Gelukkig werd mijn moeder na ruim vijf jaar van haar juk bevrijd. Mijn vader werd benoemd tot districtsadjudant van de Rijkspolitie, standplaats Winschoten. Vanaf medio augustus 1956 een gewoon huis in de Hoogstraat in Winschoten en voor de twee jongsten een nieuwe school. Zelf ging ik al naar de hbs in Winschoten. Vier jaar later vertrokken onze ambulante ouders met hun twee jongsten naar Amsterdam.

De twee oudsten zorgden ervoor dat het contact met Bellingwolde niet op slag verbroken werd. Mijn broer, die in 1951 voor een loopbaan als beroepsmilitair had gekozen, ging met een van de dochters van burgemeester Vasbinder. Ze trouwden eind 1958. Mijn zus reed op de bromfiets van Winschoten naar het gemeentehuis van Bellingwolde, waar ze van 1952 tot medio 1959 werkte.

Mijn ouders hebben hun ervaringen met Benvenuto ongetwijfeld gedeeld met de opvolger van mijn vader. De nieuwe groepscommandant wilde niet in Benvenuto wonen en hoefde dat ook niet. Wat nu te doen met dit gebouw?

Besluit


4 Ontmanteling van Benvenuto in 1958

Het opmerkelijke vooraanzicht van Benvenuto was aan mij niet besteed. Het type bevalt me niet. IJdele torens en spitsen, hoog of laag, ik hoef ze niet. Geef mij maar Groningse dwarshuizen. De half afgebroken villa op de foto, die mijn oudste zus in het najaar van 1958 heeft genomen, confronteert me vooral met een raadsel: waarom is deze in het oog springende villa, die nog geen halve eeuw oud was, toen gesloopt? Zoals bekend werd op het grote perceel een nieuw politiebureau gebouwd. Maar waarom werd Benvenuto niet gewoon verkocht, de opbrengst ervan geïncasseerd en een nieuw politiebureau op een ander, kleiner perceel neergezet? Was de gekozen oplossing niet relatief duur?

Ik heb er gedachten over die ik niet voor me wil houden. Wat ik denk, is dat Benvenuto niet in de verkoop mócht. Waarom geen verkoop? Omdat er in Duitsland, vlak over de grens in Kloster Dünebroek bij Wijmeer, voor Benvenuto een belangstelling bestond die buitengewoon groot maar bovenal uiterst ongewenst was. En dit heeft alles te maken met het gezin Bontkes, de eerste bewoners van Benvenuto. Want het geval was, dat Nanno Addens, die voor en in de oorlog in Bellingwolde woonde, de directeur van Kloster Dünebroek was. Rond 1950 waren zijn neef Tjark Bontkes met vrouw en twee dochters bij hem neergestreken. Bontkes was niet zomaar iemand.

Toen hij rond 1912 Benvenuto liet bouwen, was hij al een hemelbestormer. Zijn lijfspreuk was: ‘Der Bauer ist der rechte Mann, er ist der Welt Exempel’.[7] Hij bedoelde hiermee dat de (heren)boeren als volksgroep, waartoe hij en zijn vrouw behoren, de stam zijn, waarop de gehele maatschappij rust. De boeren zijn het laatste bolwerk van de beschaving. Hierover schreef Bontkes vaak. Soms sprak hij, wat hem minder goed afging; voor discussie was hij niet geboren. Naar mijn gevoel hebben Bontkes en zijn vrouw ook door middel van de architectuur en locatie van hun ‘tempel’ uitdrukking willen geven aan hun ‘agrarisch fundamentalisme’, zoals het wel aangeduid wordt.

In 1924 roemde Bontkes Mussolini. Een jaar of tien later kwam de NSB echt op. Bontkes sloot zich hierbij aan. Hij werd een NSB-kopstuk op nationaal niveau, maar vond ‘de NSB te zwak op het terrein van bloed en bodem’. Zijn gezin was van hetzelfde actief zwartbruine laken een pak. Het was innigst bevriend met dat van de voorman van het Nederlandse nationaalsocialisme en collaborateur Meinoud Rost van Tonningen (1894-1945). Tegen het einde van de oorlog vluchtte Bontkes met zijn vrouw en beide dochters, alsmede kinderen van Rost van Tonningen, naar Duitsland.[8] Hun ongehuwde zoon bleef in Finsterwolde achter. Zodoende ontliep Bontkes na de oorlog verblijf in een interneringskamp, berechting en een naar verwachting langdurige gevangenisstraf.[9] Zijn eigendommen werden als vijandelijk vermogen beschouwd en als zodanig behandeld en beheerd.

In 1950 schurkten Bontkes en de zijnen zo dicht mogelijk tegen hun geliefde Bellingwolde aan. Voor de dames van het gezin golden waarschijnlijk geen opgelegde of zelf gekozen reisbeperkingen. ‘Tjark Meneer’, of onder bentgenoten ‘Dietrich Batavus’, was onveranderd wat opvattingen en gedrag betreft. Hij roerde zich. De hele jaren 1950 hield hij rechters en overheid aan het werk met wat hij als zijn ‘rechtsherstel’ beschouwde. Tot aan de koningin toe. Hij wilde zelf zijn eigendommen kunnen beheren. Hij kreeg uiteindelijk in 1959 nul op rekest.[10]

Wat in Bellingwolde gebeurde, was onmiddellijk in Kloster Dünebroek bekend. Alleen al een gerucht als ‘Benvenuto is misschien wel te koop’ moet Tjark, Lucy en de dochters Sietske en Jantje in vervoering hebben gebracht: ‘Daar rijze op stuivend zand een lachend paradijs! Wat fantastisch Florrie daar te kunnen verwelkomen!’ Florrie is Florentine Rost van Tonningen (1914-2007), bekend als de ‘Zwarte Weduwe’ en zielsvriendin van Sietske.

Dit door mij bedoelde risico van ongewenste lieden en al dan niet clandestiene samenkomsten, dat potentieel aan Benvenuto kleefde, was ongetwijfeld bij alle betrokken bestuurders bekend. Zeker zo kort na de hel van de oorlog, toen de wederopbouw nog alle aandacht eiste, moest dit gevaar onverbiddelijk vermeden worden. Het zou interessant kunnen zijn om na te gaan hoe dit probleem destijds een rol heeft gespeeld in de besluitvorming over het lot van het gebouw. Maar wat echt telt, is wat door de afbraak, hoe dan ook gemotiveerd, feitelijk voorkomen is.

Arne C. Jansen

Haarlem, 31 juli 2016 / www.bernard-mandeville.nl



[1] Lammert Buning, Een merkwaardige Groninger in de Drentse dreven: uit het leven van Tjark Eltjo Bontkes’, in Nieuwe Drentse Volksalmanak (1979). Bontkes citeert uit het gedicht Aan een Heereboer van Petrus Augustus de Génestet (1829-1861).

[2] Al na twee jaar keerde Bontkes terug naar Bellingwolde; in het begin van de jaren 1930 verhuisde hij naar Finsterwolde.

[3] Volgens de regels van de Koninklijke Marechaussee betreffende de inzetbaarheid van personeel. Een marechaussee mocht niet trouwen voordat hij 27 jaar oud was. Voor het huwelijk was schriftelijke toestemming van de korpsleiding vereist.

[4] Vgl. Groninger Archieven, Systeemkaarten voor verzetsbetrokkenen (OVCG), W. Vasbinder.

[5] Mijn oudste broer is overleden. Ik bedank graag mijn zussen en broer voor hun opmerkingen bij de eerste versie van dit verhaal.

[6] De groep omvatte de gemeenten Bellingwolde en Wedde.

[7] Uit Ludwig Eichrodt (1827-1892), Lied der Landwirte, strofe 5: ‘Der Landwirt ist der rechte Mann, er ist der Welt Exempel; mit ihm fing alle Ordnung an, die Freiheit blüht in seinem Bann
und baut der Eintracht Tempel.

[8] Hij vluchtte na Dolle Dinsdag in september 1944. Keerde mogelijk terug en vluchtte daarna definitief in maart/april 1945.

[9] Persoonsgegevens, om verwisseling met personen met gelijkluidende namen te voorkomen.

Tjark Eltjo Bontkes (Finsterwolde 1885-Wijmeer 1972). Trok de ideologie van zijn schoonvader Boelo Luitjen Tijdens (1858-1904) door. Over o.a. Tijdens ook: Frank Westerman, De Graanrepubliek. Over Bontkes en gezinsleden verder informatie bij het NIOD.

- Lucretia Tijdens (Nieuw Beerta 1886-Wijmeer 1975);

- Hun kinderen: Boelo Luitjen Bontkes (Finsterwolde 1911-Finsterwolde 1945); Sietske Bontkes (Bellingwolde 1914-Wijmeer 1988); Jantje Geessiena Bontkes (Bellingwolde 1919-Wijmeer 1958; overleden in Winschoten);

- Nanno Hindrik Addens (Bellingwolde 1883-Wijmeer 1972).

[10] Eerste Kamer der Staten Generaal, nr. 64a Verslag van de Commissie voor de Verzoekschriften, van 02-03-1959.