De Moord op Grietje IJzer


13 augustus 1893 werd Grietje IJzer vermoord in de Lethe bij Bellingwolde. Dankzij Harm Selling en wat eigen speurwerk kunnen we u de schokkend details laten lezen.









 


Openbare terechtzitting d.d. 6 October 1893

W.L. No. 331
Rol no. 353

In de kantlijn:
Bij Arrest van het Hof te Leeuwarden d.d. 23 Nov. '93 is dit vonnis bevestigd. Echter met wijziging van de uitspraakomtrent de overtuigingstukken.
De Griffier

Vonnis: in zake:
Van den Heer Officier van Justitie bij de Arrondissements Rechtbank te Winschoten, ambtshalve eischer bij exploot d.d. 16 September 1893, ter eenre
Ca.

Enjo van der Laan

volgens eigen opgave oud 26 jaar, van beroep arbeider, geboren te Leta / Bellingwolde, gedaagde bij gemeld exploot ter andere zijde, thans gedetineerd te Winschoten.

De Arrondissements-Rechtbank te Winschoten rechtdoende in strafzaken;
Gehoord de voorlegging van het bevelschrift van verwijzing der zaak naar de Terechtszitting d.d. 9 September 1893;
Gehoord de voordracht der zaak door den Heer Officier van Justitie;
Gezien en gehoord de voorlezing van:
1e de akte van dagvaarding aan beklaagde geëmaneerd;
2e een ambtseedig proces-verbaal van den Kon. Marechaussee P. Dijkstra, den marechaussee P. de Vos, den rijksveldwachter J. Bleker, allen te Bellingwolde d.d. 14 Augustus 1893;
3e Een dito van den brigadier A. van Eede te Bellingwolde d.d. 14 Augustus 1893;
4e Een dito van den genoemde rijksveldwachter J.A. Hoeve d.d. 14 Augustus 1893;
5e Een extract uit het register van overledenen der gemeente Bellingwolde, waar uit blijkt, dat den 13 Augustus 1893 te Bellingwolde is overleden Grietje; ongehuwde dochter van Jacob IJzer en Fijke Prins;
6e Het Visum Repertum van de deskundigen M.J. van Olm, arts te Winschoten, en Th. Rinsema, arts te Bellingwolde d.d. 14 Augustus 1893;

Gehoord de onder eede afgelegde verklaringen van 9 getuigen, waaronder twee tevens als deskundigen;

Gehoord de opgaven van den beklaagde.
Gelet op het requisitoor van den Heer Officier van Justitie, daartoe strekkende, dat de Rechtbank, krachtens de artikelen 214, 215, 219 van het Wetboek van Strafvordering, 302 van het Wetboek van Strafrecht,
den beklaagde zal schuldig verklaren aan "zware mishandeling die den dood ten gevolge heeft" en hem
te dier zake veroordelen tot eene gevangenisstraf voor den tijd van tien jaren en
in de kosten des gedings, uitvoerbaar bij lijfsdwang, waarvan de langste duur door de Rechtbank bepaald worde, voorts met last tot vernietiging van het in beslag genomen mes en tot teruggave van de overige overtuigingsstukken aan den met name in het vonnis te noemen persoon.
Gehoord den beklaagde nader in zijne verdediging; mede namens hem gevoerd door den hem ambtshalve toegevoegde raadsman mr. J. Heres Diddens, advocaat te Winschoten;


Overwegende, dat de beklaagde overeenkomstig het bevelschrift van verwijzing is gedagvaard ter zake: dat hij op 13 Augustus 1893 te Leta, gemeente Bellingwolde, moedwillig Grietje IJzer met een mes in het lichaam heeft gestoken en haar door de maag heen dringende, levensgevaarlijke wonde, alzoo zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, ten gevolge van welk feit Grietje IJzer voornoemd is overleden;

Overwegende, dat de beklaagde ter Terechtzitting heeft bekend, dat hij op tijd en plaats voormeld, buitenstaande, moedwillig met open mes, dat in judicio aanwezig is, iemand voor in het lijf gestoken heeft, die in het huis van Jacob IJzer voor de ten deele geopende buitendeur stond;

Overwegende, dat de volgende geuigen ter Terechtzitting hebben verklaard, als op tijd en plaats voormeld door hen waargenomen:

1: Jacob IJzer en 2: diens vrouw: Feike Prins, ieder voor zich, dat beklaagde het in judicio aanwezige mes in de hand had; dat deze even later met den voet tusschen de buitendeur hunner woning stond, terwijl hun dochter Grietje in huis voor de ten deele geopende, naar binnen slaande deur, stond; dat beklaagde toen een open mes in de hand had, dat Grietje kort daarna in hunne woning op den grond is gelegd en spoedig daarop bewegingloos was;
de eerste getuige bovendien, dat Grietje aldaar liggende een wonde in het lijf had waaruit bloed kwam;
de tweede afzonderlijk, dat beklaagde voor de deur staande, en het open mest in de linker hand nemende, daatmede moedwillig Grietje IJzer voor in het lijf stak, waarop Grietje in een kromp, terwijl kort daarop haar schort bebloed was;

3: Heiko Meijering, dat beklaagde ruzie had bij de woning van Grietje IJzer en haar ouders en Grietje even later een bloedende wond had, even boven de navel;

4: Udo Blauw, dat Grietje IJzer in haar huis stond voor de ten deele geopende buitendeur; dat beklaagde [op de woorden van] Jacob IJzer: "ik wil je niet meer in huis hebben, [antwoordde]: "dat zal ik je wel leeren" - op bedoelde deur toeging en met een geopend mes, in judicio aanwezig, genoemde Grietje IJzer in 't lijf stak, beneden de rechter borst, waarna zij op die plek een bloedende wond had;

Overwegende, dat verder ter Terechtzitting is verklaard:
1: door Jacob IJzer en 2: diens vrouw, voormeld, ieder voor zich, dat het lichaam van Grietje IJzer den volgenden dag uit hun huis is gehaald; en
3: door getuige Jacob Kuiper, dat hij op 14 Augustus in het logement van Jan Broekema te Bellingwolde een lijk zag liggen, waarin hij Grietje IJzer voormeld herkende;
4: door Th. Rinsema en M.J. van olm, geneesheeren, als getuigen en deskundigen, ieder voor zich, dat zij een lijk, liggende in het logement van Broekema voormeld, - verklarende getuige Rinsema daarin Grietje IJzer vorenbedoeld te hebben herkend, - uit opdracht den Rechter Commissaris in Instructie van strafzaken alhier, die hen daarbij dat lijk overgaf hebben geschouwd, na in handen van den Rechter Commissaris den eed te hebben afgelegd dat zij hun verslag naar hun geweten zullen geven; dat zij toen aan dat lichaam, waaraan zij lijkverstijving waarnamen, uitwendig, als eenige bloediging, even boven den navel, een weinig rechts, een linéaire, wonde, in de lengte-as van het lichaam verloopende ter lengte van bijna 4 centimeter, zijnde een versche wond zich uitstrekkende tot in de vrije buikholte, bevonden; en inwendig, dicht bij de uitgang in het darmkanaal, in den voorwand en ook in de achterzijde van de maag een lijnvormige wonde aantroffen, lengte +/- 3,5 centimeter en staande vrijwel loodrecht op de lengte-as van de maag; dat het lijk uitwendig, en ook de lever, de milt, de longen, de hartspier zeer bleek waren; de darmen zeer bloedarm; in de borst, organen en in de hersenen zeer weinig, daarentegen in de vrije holte van den buik veel bloed aanwezig was;

Overwegende, dat het aangehaalde uittreksel van den Burgerlijken Stand inhoudt dat op 13 Augustus l.l. is overleden voormelde Grietje IJzer.

Overwegende, dat de Rechtbank met de deskundigen aanneemt, op wetenschappelijke gronden, dat de dood is veroorzaakt door verbloeding uit voormelde verwonding en dat ook zonder die verbloeding zoodanige wond levensgevaarlijk is;

Overwegende, dat alzoo door voorschreven bewijsmiddelen, wettig en overtuigend is bewezen wat den beklaagde is ten laste gelegd en zijn schuld daaraan, daaronder begrepen dat de beklaagde opzettelijk vorenbedoeld zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht;

Overwegende, dat het bewezen verklaarde oplevert het misdrijf van: "zware mishandeling, waarbij het feit den dood ten gevolge heeft";
Gezien de artikelen 302 Wetboek van Strafrecht;
214, 215, 219 Wetboek van Strafvordering.

RECHTDOENDE IN NAAM DER KONINGIN!

Verklaart wettig en overtuigend bewezen het feit den beklaagde te laste gelegd en zijn schuld daaraan;

Verklaart hem deswege schuldig aan het misdrijf hier voren gequalificeerd;

Veroordeelt den schuldigverklaarden Enjo van der Laan

Voormeld te dier zake

tot gevangenisstraf van acht jaren,
en in de kosten des gedings, uitvoerbaar bij lijfsdwang van ten langste eene maand.
Gelast de vernietiging van het in beslag genomen mes, gediend hebbende tot het plegen van het feit.
Verstaat, dat niet blijkt bij wie de overige, ook in beslag genomen stukken van overtuiging zijn in beslag genomen, zoodat voormeld art. 219 niet van toepassing deswege vatbaar is.

Aldus gewezen binnen Winschoten, bij de Heeren Mrs.: J. Meinesz Gzn President, E. Pelinck, en F.J. Camphuis Rechters, in bijzijn van Mr. G.T.J. de Jongh, Substituut-Griffier, en door den President uitgesproken ter openbare terechtzitting d.d. 6 October 1893

in tegenwoordigheid van Mr. J. Ph. Castendijk Officier van Justitie en Mr. G.T.J. de Jongh, Substituut-Griffier der Rechtbank.

W.G.





Ċ
Historie Bellingwedde,
19 nov. 2018 04:21