Dorpen en Gehuchten‎ > ‎Blijham‎ > ‎

Schoolhistorie

Blijham 

De eerste school.

De “Kerspelschool” zo genoemd in de oude archieven, maar ook bekend als de “Kosterijschool”, was de eerste school in Blijham. Gevonden is, dat de school reeds bestond in 1781 maar wanneer het eerste schoolgebouw in gebruik is genomen is niet bekend.
Zeker is, dat de school van voor 1781 is. Mogelijk is er voordat de school is gebouwd, ook op andere plaatsen les gegeven aangezien Blijham reeds veel eerder onderwijzers had.  In de Rechterlijke archieven is terug te vinden  is dat schoolmeester Pieter Borghers, schoolmeester te Blieham op 27 november 1710 is getrouwd met Mentjen Elses. In 1713 huwt Hendrick Ellinck, schoolmeester met Ettien Cranenbürch. Er wordt niet vermeld, dat hij schoolmeester te Blijham was. Dat kan dus ook elders zijn geweest. Niet uitgesloten is, dat er destijds lessen zijn gegeven in de oude pastorie.

Aanvulling van E. Smook 5-5-2015:

Op allegroningers.nl  is te vinden, dat schoolmeester Pieter Borcherts uit Blijham niet de eerste was, maar  in elk geval zijn vader ook schoolmeester te Blijham was. Huwelijk: Borchert Melchers, schoolmeester te Blijham en Eelste Fopkens, weduwe van Jasper Geerts te Winschoten, huwden(registratie) op 10-2-1684 te Winschoten. Borchert was op dat moment dus al schoolmeester!


 Oude pastorie oostzijde, tekening uit 1830.
Afgebroken in 1857.

Zeker is dat meester Elzo Addens Pieters tot zijn overlijden in 1780 als leermeester voor de Blijhamster jeugd is opgetreden. Met de eerder vermelde commotie rond de stemming, werd Jans Olthof in 1781 als schoolmeester en koster – voorzanger in de kerk benoemd. Of laatst genoemde ooit Eenrum heeft verruild voor Blijham is niet bekend. Predikant Bernardus Goltsweerden schrijft namelijk in het kerkregister “Den 6 november 1785 met attestatie van lidmaatschap tot ons overgekomen van Zuidlaren den schoolmeester Reinder Sikkens en deszelfs huisvrouw Tantien Huisinghe”. Reinder Sikkens werd opgevolgd door zijn zoon Hendrik Huizing Sikkens. Deze had de achternaam van zijn moeder er tussen gekregen. In het lidmatenboek van 1812 wordt vermeld, dat Huizing Sikkens adjunct-voorzanger is en woont in het schoolhuis in ’t Oosteind (Kerspelschool). Hij huwde in 1821 met boerendochter Aafje Molanus Huis. Sikkens had de rang van “tweede rangs meester”. In die tijd was dat zoiets als bezitter van een hoofdacte. Hij werd de laatste jaren bijgestaan door custos (ondermeester) Geert Engels Nieuwburg (geb. 07-06-1807 te Oudeschans en overleden 02-03-1880 te Blijham) In 1839 was Nieuwburg in het huwelijk getreden met Freerkien Tiddens Tjabbes, een boerendochter uit Lutjeloo.  Hij volgde in 1843 Sikkens op en was tot juni 1873 het hoofd van de Kerspelschool. Na zijn pensionering heeft hij een huis laten bouwen in Blijham, naast Hotel Nieuwburg (of dit familie was is niet bekend, maar het is niet uitgesloten) en later hotel Vrieze. Jaren later was hier het loodgieters- en elektrotechnisch bedrijf van Seijen gevestigd, terwijl nu de familie Spit al weer meerdere jaren op deze plek woont. De laatste hoofdonderwijzer en bewoner van de Kerspelschool was de heer Van Ham. Deze werd op 1 mei 1873 aangesteld als hoofd van de school. Hij was toen pas 26 jaar oud en had zijn benoeming mede te danken aan het feit dat hij een zeer goede organist was, maar ook als onderwijzer had hij capaciteiten. Van Ham had twee hulponderwijzers namelijk; Borgman en Boneschansker. Ook Poll is in voorgaande jaren aan de school verbonden geweest.


 Detail van een topografische militaire kaart van tekenaar Panhuis uit 1852, 
met de plaats waar de Kerspelschool heeft gestaan.
(linksonder de letter B van Blijham)

Het gebouw stond aan een laan met een stenen voetpad. In de volksmond werd dit het “Stainen padje” genoemd. Het voetpad was een meter breed. De laan met voetpad bevond zich waar nu de Oosterstraat ligt. Het stenen pad was sinds 1882 de verbinding tussen Molenhorn en Oosteinde (Kerkhorn). De Kerspelschool stond op ongeveer 200 meter vanaf de weg door het Oosteinde. 
Het schoolgebouw met de bijbehorende grond en ook de gronden die aan de overzijde van de weg lagen, behoorden aan de kerk. Het geheel werd “De Meesterij”genoemd. Direct achter het schoolgebouw liep een kerkepad. Dit liep langs het kerkhof en eindigde bij één van de laatste boerderijen in het Oosteinde  (De Heemen - Voorwold).
 


Oude Kerspelschool aan het toenmalige Schoollaan. 
In de volksmond werd deze laan later, ’t Stainen Padje genoemd.  
Nog later werd dit Oosterstraat. 
Later is op het perceel van de school een woning (Oosterstraat) gebouwd.

Het schoolgebouw was tevens de woning van de hoofdonderwijzer. In het achterste gedeelte van het gebouw waren de twee leslokalen. Deze waren gescheiden door een schuifdeur met veel glas erin. Aan het begin en eind van de dag werden deze deuren geopend bij het bidden en danken. De verwarming van de school met kachels, bracht geen kosten met zich mee. Iedere leerling moest daarvoor in de winter, per dag namelijk een turf meebrengen. De leerlingen zaten op lange banken in rijen van vijftien. 

Omdat het aantal leerlingen naar 230 was gestegen en er slechts twee lokalen waren, werd het geven van goed onderwijs sterk belemmerd. Om dit te verbeteren werd er in 1873 een nieuw lokaal bijgebouwd. Hierdoor kregen de drie onderwijzers tenminste ieder een eigen klaslokaal.  
Er was in die tijd geen sprake van geregeld schoolbezoek. Meester Van Ham had een grote liefde voor het onderwijs en hij trachtte voortdurend verbeteringen aan te brengen. In 1876 drong hij er bij het gemeentebestuur op aan, om slechts één maal per jaar leerlingen toe te laten. In dat jaar kwamen er namelijk in maart 3-, april 8-,  mei 11-,  juni 7-, juli 5-, augustus 2- en september 2 nieuwe leerlingen als eerstbeginnende op de school. Dat was een onhoudbare situatie. Met steun van de schoolopziener werd de toelating dan ook beter geregeld. Vanaf 1877 werd op voorstel van Van Ham bepaald dat de kinderen op 1 mei moesten beginnen en niet meer op elk willekeurig moment. 
Ook werd er vanaf die tijd een avondschool gehouden. Deze was bedoeld voor leerlingen, die de gewone school hadden verlaten en voor kinderen, die “overdag geen tijd hadden”. 
Op 18 augustus 1878 werd een nieuwe onderwijswet ingevoerd. Hierdoor werden de eisen, die gesteld werden aan onderwijs, schoolgebouwen en onderwijzerswoningen drastisch opgevoerd. Ingevolge deze wet werd in 1881 door de gemeenteraad een plaatselijke verordening op het onderwijs vastgesteld, alsmede een instructie voor onderwijzers. In deze instructie was vastgelegd, dat de onderwijzers verplicht waren een register van schoolverzuim bij te houden. Toen het college van burgemeester en wethouders inzage kregen in het register, waaruit bleek, dat het verzuim ontzettend hoog was, werd tot twee keer toe een voorstel aan de raad gedaan, om een verordening vast te stellen om het schoolverzuim te beperken. Aangezien de regering plannen had voor een wet op verplicht schoolbezoek, wenste de raad daarop te wachten. Pas in 1900 kreeg deze wet rechtskracht.

Met de wet uit 1878 werden ook voorschriften vastgesteld voor de huisvesting van het onderwijs. Er was onder anderen een norm vastgesteld van 50 leerlingen als maximum voor een klas. Het gevolg was, dat plannen voor aanpassing of nieuwbouw gemaakt moesten worden om aan de wet te voldoen.

In Blijham werd in 1883 een nieuwe school gebouwd en werd de Kerspelschool gesloten.Na de sluiting van de school heeft timmerman - aannemer Boneschansker het gebouw gekocht. Deze vestigde zijn bedrijf in de oude school. Bij de aanleg van de Oosterstraat in 1938 moest het pand worden afgebroken, omdat deze gedeeltelijk in de nieuw aan te leggen weg stond.


 
Kaart uit 1832. Bij de pijl staat de Kerspelschool. Bovenste weg Oosteinde wordt door de Schoollaan verbonden met de Verschedijk (Raadhuisstraat) De Schoollaan (later Oosterstraat) wordt hier aangeduid als; laan met weiland, en is net als de school en veel andere gronden eigendom van “Kosterij Blijham”. De stippellijn direct onder de pijl, was het achterpad en liep recht naar de Kerk en De Hemen en Voorwold.

Bijscholen

Naast de openbare hoofdschool bestonden er ook “bijscholen”. Deze werden gesticht, omdat de reis van de kinderen uit de buitengebieden wel erg ver was naar de kerspelschool.
Een Kerspel onderwijzer had rond 1750 een vaste baan met een vast inkomen. Door de relatie kerk – onderwijzer woonde de kerpelonderwijzer vaak in de kosterswoning, dit in tegenstelling tot de onderwijzer in de buurtschappen. Deze laatste woonde meestal in bij de ouders van leerlingen. In de zomermaanden moest de buurtschaponderwijzer net als de kinderen, meehelpen met allerlei werkzaamheden. Als kinderen van arme(re) ouders bij uitzondering, naar deze school gingen dan kreeg de meester een tegemoetkoming van de kerk. Een bijschoolmeester noemde men ook wel “rondetende schoolmeester”. De bijschool was van november tot Palmzondag geopend en was dus eigenlijk een winterschool. In de zomer werden de leerlingen door hun ouders ingeschakeld in het bedrijf of het huishouden. Ook de onderwijzer had dan zelf ook volop andere werkzaamheden.
Omdat de bijschoolonderwijzer vaak niet in officiële stukken werd genoemd en vaak geen vaste verblijfplaats had, is er weining bekend over de bijschool en de meester. Het kwam zelfs voor dat één van de boeren die in het buurtschap woonde “schoolmeester” als bijbaantje had. Schoolbanken ontbraken in die tijd. De kinderen gebruikten schrijfkisten die ze op hun knieën legden.

Westeind

Door particulieren werden er in het Westeind en Lutjeloo dergelijke bijscholen opgericht. De “bijschool” in ’t Westeind werd gehouden in een huis, dat ongeveerd 100 meter ten noorden van het Westeindepad heeft gestaan. Het huis hoorde bij de boerderij, aan de zuidkant van het pad. Eigenaar hiervan was Harm Nannes (1787-1800) en Juko Harms van Delden (1800-1833). Het huis waarin de bijschool werd gehouden is ca. 1900 afgebroken. De boerderij is in 1904 afgebroken en verplaatst naar de Winschoterweg en was vanaf 1904 eigendom van de familie Leemhuis. 
De bijschool onderwijzers hadden een zeer laag traktement. Ze woonden bij een van de eigenaren in huis. De onderwijzer van de kerspelenschool waren de bijscholen een doorn in het oog. Hij miste namelijk de schoolgelden, die door de ouders van de leerlingen betaald moesten worden. Onderwijzer Sickens van de Kerpelschool in Blijham ondernam in 1787 dan ook actie. Hij zond een adres (brief) aan de Drost van Wedde met het verzoek de bijschool in het Westeinde op te heffen. De Drost heeft hierop besloten, dat de bijschool moest verdwijnen, onder nadere goedkeuring van de hoogste autoriteiten in Groningen. De bewoners in het Westeinde maakten hiertegen echter bezwaar.
Het adres was opgesteld door kerkvoogd Jacob Hessels Dethmers  en mede ondertekend door Tjarko Luikens  en Elzo Boeles Bruggers. Dethmers woonde op de boerderij; Leesterheerd aan het pad. De boerderij is later verplaatst naar de weg en bewoond door Hovinga, Bleeker en nu Dewulf. Luikens woonde ook op een boerderij aan het pad, waar tot de ruilverkaveling de dichte landbouwschuur van O.D. ten Have stond (achter tapijtboerderij Dewulf). Bruggers woonde aan het pad maar ook deze boerderij is verplaatst naar de weg en wordt al jaren bewoond door de familie Huisman. Ze schreven toen, dat ze “allen landbouwers aan de Westzijde van de Venneke-slood (Veensloot)” waren. Het request luidde:
“zijnde ingedient en inhoudende, dat zij en hunne voorzaten van ondenkelijke tijden af voor hunne kinderen aldaar een meester hadden gehouden om die in leeren, schrijven etc. te onderrichten en daarin tot den Jaare 1787 gecontinueerd; in welk oud possum (recht) ter gelegenheid  van een ingediend request van de schoolmeester Reinder Sickens waren getubeerd (verontrust) en bij appointement (beschikking) van U Ed. Erenf. Gelast zich van het houden van een Bijschool aldaar te onthouden; verzoekende overzulks Heren Gecommiteerden daarover te worden verstaan, met surcheance (opschorting) van gemelde appostille (voorlopige beschikking), opdat daaromtrent verder konde worden gedisponeerd, als op goede gronden van goede Politie en billijkheid verneemt zoude worden te behoren”. 

De bezwaarmakers hadden succes. De door het stadsbestuur benoemde commissie, bestaande uit “de Erentfeste Heer van Iddekinge en zijn adsestoren”, stelden zich persoonlijk op de hoogte van de situatie in Blijham en kwamen tot de conclusie dat de Bijschool mocht blijven. 
Hoe lang de particuliere bijschool in ’t Westeind heeft gefunctioneerd, is niet bekend, maar in 1828 bestond deze niet meer.


 
De vermoedelijke plaats van de bijschool in het Westeinde.

Lutjeloo

Over de bijschool in Lutjeloo is weinig bekend. Volgens overlevering moet de school gestaan hebben tussen de beide boerderijen (Ploeger nu Warmerdam en voorheen Georgius) aan de Verlengde Lutjeloosterweg. Hoe lang deze particuliere bijschool heeft bestaan is ook niet bekend, maar  zeker is dat het bijschooltje in zeventienhonderddertig al ter ziele was. Gezien de beperkte bebouwing in het gebied Lutjeloo is het waarschijnlijk ook maar een kleine school geweest.

Morige en Hoorn

De Marken Hoorn en Morige vielen onder het Kerspel Wedde. De kinderen uit deze Marken moesten dus naar de kerspelschool in Wedde. Bekend is, dat er in 1676 en 1681 verzoeken zijn gedaan, om in Hoorn over te gaan “tot stichtinge en onderrichtinge van de jonge Jeucht schoole mochte houden”.  De slechte staat en conditie van de paden en wegen in de winter maanden en ook de afstand tot de school in Wedde waren aanleiding voor de verzoeken. De schoolmeester van Wedde maakte hiertegen bezwaar, omdat hem dan een groot deel van zijn inkomen zou worden ontnomen. Waarschijnlijk is er nooit een school in Hoorn of in de Morige geweest. 
Niet uitgesloten moet worden, dat de kinderen uit de Morige de gelegenheid hebben gekregen om bij slecht weer de school in Blijham te bezoeken.



Met dank aan Harm Frits Korvemaker voor het aanleveren van deze informtie.