Dorpen en Gehuchten‎ > ‎Veelerveen‎ > ‎

Coöp Aardappelmeelfabriek Veelerveen

Coöperatieve Vereniging Aardappelmeelfabriek 'Westerwolde'  1913 – 1964




 Collectie Streekhistorisch centrum Stadskanaal


Groningen ontdekt de aardappel

De aardappel was midden achttiende eeuw in Nederland een bekend product. De Sappemeerster Elfringen, de Ruige Witten en de Turken waren in het Noorden favoriet. In het grensgebied van Groningen en Drenthe, op de dalgronden, was de teelt een succes. De aardappel werd toen alleen voor de consumptie verbouwd, maar spoedig ook voor de moutwijnbereiding. In de Veenkoloniën waren in 1840 zeventien branderijen, die hun product uit aardappelen bereidden. Door de  concurrentie van branderijen, gevestigd in Schiedam, nam hun aantal snel af. Na 1860 was er voor deze tak geen plaats meer op de grondstoffenmarkt.


Collectie Streekhistorisch centrum Stadskanaal

Deze plaats werd ingenomen door de aardappelmeelindustrie. De Amsterdammer J.A. Boon introduceerde deze industrie in de veenkoloniën. Hij bouwde in 1840 in Muntendam een fabriekje waarin aardappelen tot zetmeel werden verwerkt. Zijn afzet vond hij in de textielindustrie, die het meel onder andere gebruikte bij het versterken van katoenen draden. Boon had weinig succes. Hij miste de energie en het zakelijk inzicht om zijn bedrijfje uit te tillen boven het niveau van een huisindustrie. De pionier kreeg vele opvolgers, die geïnspireerd werden door de grote afzetmogelijkheden in de zich snel uitbreidende textielindustrie.

De grote vraag naar fabrieksaardappelen stimuleerde de teelt. Na de introductie van kunstmest nam de verbouw op oude cultuurgronden toe en werd het veengebied in hoog tempo ontgonnen.

Opkomst van de boerenfabrieken

Oorspronkelijk zorgden de boeren alleen voor de grondstof van de aardappelmeelindustrie. Zij waren leverancier van de aardappelen en lieten de productie van het meel en de verkoop daarvan over aan particuliere bedrijven van "speculatieve" fabrikanten. Rond 1880 waren er al zo'n twintig speculatieve aardappelmeelfabrieken, die een felle concurrentiestrijd voerden op de grondstoffenmarkt. De vraag was vaak groter dan het aanbod. De boeren hadden voordeel van de krapte op de markt en bepaalden vaak zelf hun prijs.

In 1890 vonden een aantal speculatieve fabrikanten elkaar in de "Vereniging van Aardappelmeelfabrikanten". Deze vereniging had als doelstelling: Het behartigen van de belangen van haar leden met  betrekking tot de aardappelcultuur en de productie en handel van aardappelen.

Tot hun schrik ontdekten de aardappelboeren dat zij niet langer de prijs van de aardappelen bepaalden. De aardappelmeelfabrikant, W.A. Scholten, bond in 1897 als grootste fabrikant de boeren met handen en voeten aan de landbouwindustrie. Hij richtte de vereniging “Eureka” op, waar alle particuliere fabrikanten lid van waren en kondigde uniforme inkoopsprijzen af.

Dat de boeren onder het prijzenjuk van “Eureka” probeerden uit te komen, was te begrijpen. Juist omdat de speculatieve fabrikanten zich verenigd hadden in een gezamenlijke vereniging en uniforme inkoopprijzen hadden, was dit de reden dat de boeren overgingen tot oprichting van coöperatieve aardappelmeelfabrieken. Op deze manier

gingen de boeren zelf hun aardappelen verwerken en verkopen. In 1898, een jaar na de oprichting van Eureka, waren drie van deze fabrieken gesticht.

De particuliere fabrieken kregen het moeilijk, vooral na 1912 toen zij in verwerkingscapaciteit door de coöperatieve fabrieken overvleugeld werden en de grondstof minder gemakkelijk verkrijgbaar was. In 1912 en 1913, jaren met grote aardappeloogsten, kregen zij nog een kans om een grote campagne te maken.


Collectie Veenkoloniaal Museum Veendam

Maar opnieuw zetten zij met hun uniforme prijzen de boeren klem, wat de uitbreiding van de coöperatieve aardappelmeelindustrie bevorderde. Van 1912 tot 1916 steeg het aantal coöperatieve aardappelmeelfabrieken van dertien tot tweeëntwintig. Ook in Westerwolde werden de aardappelen zelf verwerkt.


Oprichting en doelstelling

Initiatiefnemer tot oprichting van de “Coöperatieve Vereniging Aardappelmeelfabriek Westerwolde” was de landbouwvereniging Vriescheloo. Op haar ledenvergadering van 18 maart 1913 werd het besluit tot oprichting genomen. Deze mededeling was gepubliceerd in de Provinciale Groninger Courant van 20 maart 1913. De belangstelling om voor ƒ 200,- per aandeel deel te nemen in het grondkapitaal van de vereniging was groot.

Vóór de officiële oprichting waren er al 800 aandelen geplaatst. De oprichtingsakte werd op 4 juli 1913 verleden voor C.C. van Ingen, notaris te Wedde.

De doelstelling van de vereniging was het vermalen van aardappelen voor leden. Het takenpakket werd in 1923 bij besluit van de algemene ledenvergadering uitgebreid. De uitbreiding van statuten omvatte het stichten van nevenbedrijven en het aangaan van samenwerkingsverbanden. Deze statutaire wijziging was feitelijk een aanpassing van de overeenkomst met de bestaande situatie, daar "Westerwolde" zich vanaf de oprichting al bezig hield met verschillende nevenactiviteiten.

Beginjaren

De fabriek draaide in de nazomer van 1914 haar eerste campagne. Haar capaciteit, 500.000 hectoliter per campagne, was voldoende om de aangeboden aardappelen van haar leden te kunnen vermalen.

De verkoop van de aardappelmeelproducten verliep vrij moeilijk. De regering had in 1915 de vrije export van aardappelmeel aan banden gelegd en de verkoop gecentraliseerd. Een stijging van de meelprijs zorgde ervoor dat "Westerwolde" toch het eerste boekjaar met een voordelig saldo kon afsluiten.

De jaren 1916 - 1918 waren gunstig, maar het winstcijfer werd ook beïnvloed door de goede uitkomsten van de nevenbedrijven.

De aardappelmeelprijs daalde sterk na de eerste wereldoorlog, 1920 was een dieptepunt. De bedrijfsresultaten waren slecht, de lage meelprijzen waren hier niet alleen de oorzaak van. "Wees voorzichtig, daar ons in de naaste toekomst verrassingen zullen wachten", zei een bezorgd, maar nog niets vermoedend lid op de jaarvergadering van 5 november 1921. De werkelijke verrassing werd later door de accountant van de vereniging aan het bestuur gemeld. De directeur van de fabriek had op grote schaal fraude gepleegd. Het negatief saldo bedroeg ƒ 691.115,47 inclusief exploitatieverlies, hiervoor waren de leden aansprakelijk. Per aandeel moest ƒ 375,- gestort worden om het verlies te dekken. De dagelijkse leiding werd gereorganiseerd.

De nieuwe directeur werd chef-boekhouder en hield de technische en administratieve leiding. De directeur werd in zijn taak bijgestaan en gecontroleerd door een gedelegeerd bestuurslid.

Na de reorganisatie waren de bedrijfsresultaten uitstekend, de aandeelhouders waren tevreden. Maar de arbeiders van het bedrijf waren ontevreden. Door het debacle moesten zij loonsverlaging accepteren.

Collectie Veenkoloniaal Museum

In oktober 1927 wilden zij dat de loonsverlaging ongedaan gemaakt werd, gelet op de goede exploitatiecijfers. Het bestuur was niet van plan om op hun eisen in te gaan. Daarop hielden de werknemers een korte staking gehouden. Hierna stond de directie een loonsverhoging van ƒ 1,- à ƒ 1,50 per week toe. Ook  waren er conflicten in augustus 1928 en de eerste helft van 1929.

In 1929 eindigde de goede tijd van de  aardappelmeelindustrie. De meelprijs daalde sterk en veel fabrieken hadden onverkoopbare voorraden. Vooral de fabrieken die aangesloten waren bij het Aardappelmeel Verkoop Bureau (AVEBE) hadden grote overschotten. De "vrije" fabrieken waren er wel in geslaagd hun meel af te zetten, zij het tegen lage prijzen.

AVEBE en de "vrije" fabrieken vroegen aan de regering om  financiële steun. De regering stemde toe, maar bedong een samenwerking tussen AVEBE en de "vrije" fabrieken.

Hiervoor werd in 1932 de commissie Warner opgericht. Deze commissie bepaalde welke voorraden verkocht mochten worden van de aangesloten aardappelmeelfabrieken.

Aan de vrijblijvende samenwerking van de commissie Warner kwam een einde door de landbouwcrisiswet van 1933. De export van aardappelmeelproducten werd geregeld door de Nederlandse Aardappelmeelcentrale (NAMC), deze startte in 1934.

Voor fabrieksaardappelen kwam een teeltvergunning. Alleen aardappelen met teeltvergunning mochten worden vermalen. Het bestuur van "Westerwolde" was ongelukkig met de gang van zaken. Voorzitter H.E. Mellema vond dat "Alles gepast en gemeten” uit Den Haag kwam. De bedrijfsresultaten waren goed. De vereniging was weer financieel gezond en het bestuur investeerde in ontwikkeling om de productie van meel per hectoliter op te opvoeren.

Naast de bestaande uitrusting werd in de zomer van 1935 een nieuwe productielijn opgezet. "Westerwolde" was toen de modernste aardappelmeelfabriek van Nederland.

Naast rendementsverhoging werden ook andere mogelijkheden onderzocht. Er waren plannen voor een butyl-alcoholfabriek samen met andere coöperatieve fabrieken. De financiering van dit project was onmogelijk. Proeven met bakmeel hadden meer succes, tien procent bestond uit aardappelmeel. Maar ook dit was financieel onhaalbaar. “Westerwolde” was geïnteresseerd in het onderzoek naar producten afgeleid van aardappelmeel.

“Westerwolde” richtte voor dit onderzoek samen met de aardappelmeelfabriek "Onder Ons" een laboratorium in de Krim op. Het onderzoek is nooit afgerond. Ook had "Westerwolde" geen succes bij de ontwikkeling van plannen om het eiwit dat in het productiewater achterblijft terug te winnen.

De tweede wereldoorlog

Ook in de tweede wereldoorlog bemoeide de overheid zich met deze tak van industrie. De NAMC, later het Aan- en Verkoopkantoor van Akkerbouwproducten (AVA) genoemd en het Bedrijfsschap voor Aardappelen, bleef het centrale punt waar de aardappelmeelfabriek "Westerwolde" mee te maken had.

Collectie Streekhistorisch Centrum Stadskanaal

De voedselvoorziening was voor de regering het belangrijkste. Grote partijen fabrieksaardappelen werden bestemd voor consumptie. "Westerwolde" moest gemiddeld 42,5% van haar quantum afstaan. Toch bleven er voldoende aardappelen over om redelijke campagnes te draaien.

 

Opbouw en fusie

Na de tweede wereldoorlog kwam er een vergaande samenwerking van alle aardappelmeelfabrieken. Eerst in de Stichting Nederlandse Aardappelmeelexport, later in de Aardappelmeelconventie. Het vertrouwen in de toekomst van "Westerwolde" was groot, dit was in 1952 te merken in een aantal technische verbeteringen en verhoging van de verwerkingscapaciteit tot 700.000 hectoliter per campagne.

De innovaties bereikten niet het gewenste resultaat; de nieuwe techniek had men onvoldoende onder de knie. Het lage rendement van de aardappelmeelfabriek “Westerwolde”, in vergelijking met andere aardappelmeelfabrieken, werd vertaald in lagere uitkeringen aan leden en niet-leden.

Het gevaar was reëel dat zij niet meer leverden aan "Westerwolde", hierdoor zou de grondstoffenpositie in gevaar komen.

De vereniging was ontevreden over het toegewezen quantum aardappelen, dat moest verhoogd worden. De AVEBE had een belangrijke stem in de conventie. De AVEBE werkte sinds 1950 aan de ontwikkeling van producten afgeleid van aardappelmeel. Alles bij elkaar waren er voldoende redenen om aansluiting bij deze organisatie te overwegen. Op 1 juli 1956 werd "Westerwolde" lid van de AVEBE.

In 1962 besloot de algemene ledenvergadering om de aardappelmeelfabrieken "Ter Apel e.o." en "Musselkanaal" te fuseren. Het doel van de schaalvergroting was lagere exploitatiekosten en hogere uitkeringen aan leden. De productie werd overgebracht naar de toekomstige fusiepartners. De fabriek “Westerwolde” in Veelerveen werd ontmanteld. Twee jaren later was de fusie rond. De gebouwen werden verkocht aan de Aankoopvereniging van de Westerwoldse Landbouwmaatschappij.

Deze combinatie van fabrieken heet thans de "Coöperatieve Vereniging Aardappelmeelfabriek Westerwolde, Ter Apel, Musselkanaal" (W.T.M.), gevestigd in de gemeente Vlagtwedde.

Nevenactiviteiten

"Westerwolde" had in haar beginjaren een aantal nevenactiviteiten ontwikkeld, die zijdelings verband hielden met het hoofdbedrijf, de productie van aardappelmeel. De belangrijkste ervan waren het landbouwbedrijf en de veenderij. Ook hield de vereniging zich bezig met het drogen van aardappelen en de fabricage van turfstrooisel.

Aardappeldrogerij

Bij verwerking van aardappelen tot aardappelmeelproducten gaat het eiwit verloren en wordt het afgevoerd door het productiewater. Wanneer men de aardappel droogt voordat de aardappel tot aardappelmeel wordt verwerkt, dan wordt het eiwit gebonden aan het aardappelmeel.

"Westerwolde" zag voor dit eiwitrijk aardappelmeel, door haar "Gries" genoemd, een markt.

Ook de regering zag mogelijkheden. Gries kon worden verwerkt in broodmeel of veevoeder.

De regering pakte de zaken in 1918 groot aan. Dertig aardappel- en groentedrogerijen konden er gesticht worden. "Westerwolde" maakte hiervan gebruik. De afzet van het gries liep in de beginjaren goed, maar minderde daarna.

De productie van gries werd afgebouwd en de drogerij werd gedeeltelijk omgebouwd tot een aardappelmeelfabriek. In maart 1922 brandde de voormalige drogerij geheel uit, wat een definitief einde maakte aan het griesavontuur.

Exploitatie van de vloeivelden

Het waterschap Westerwolde stelde als voorwaarde bij de stichting van de aardappelmeelfabriek “Westerwolde” dat er bij 100.000 hectoliter verwerkingscapaciteit een oppervlakte van vijftig hectare vloeiveld aanwezig moest zijn. Hierop moest het productiewater worden geloosd. Na bezinking mocht het water gespuid worden op het oppervlaktewater, dit zou dan minder vervuilen. In 1920 had "Westerwolde" 260 hectare onontgonnen land in bezit. Van deze grond werd het veen afgegraven, ontgonnen en daarna gebruikt als vloeiveld. Het bezinksel uit het productiewater was zeer vruchtbaar en geschikt voor landbouw. Deze activiteiten ondernam de vereniging in eigen beheer.

Veenderij en turfstrooiselfabriek

De vervening bleek een goede fabrieksturf op te leveren, die voor een goede prijs werd verkocht. Ook werd er "Bolsterturf" gestoken, dat sinds 1916 verwerkt werd tot turfstrooisel in een eigen fabriek.

De veenderij en turfstrooiselfabriek behaalden niet het verwachte resultaat. In maart 1923 werd de turfstrooiselfabriek gesloten. De veenderij hield het een paar jaar langer uit. Vermoedelijk is in het begin van de jaren dertig aan dit bedrijf een einde gemaakt. De vervening werd voortaan aan derden uitbesteed.

Boerderij

Directe aanleiding tot oprichting van de boerderij was om te kunnen beschikken over vloeivelden, waarop het afvalwater van de fabriek eerst werd geloosd, alvorens het in schonere toestand op het kanaal kon worden toegelaten. Viervijfde gedeelte van de boerderij was als regel als vloeiveld (met dijkjes eromheen) in gebruik. Daarbij was het mogelijk op de velden tevens gewassen te verbouwen.

In 1914 had de boerderij een oppervlakte van 15 hectare, dat in 1938 was toegenomen tot meer dan 200 hectare.

Toen na de tweede wereldoorlog de mechanisatie in de landbouw zich aandiende, was de bedrijfsvoering volgens de oude vertrouwde methode met veel mankracht en paarden niet langer te realiseren. In de periode van 1947-1957 is met subsidie het gehele bedrijf op de schop geweest, wijken gedempt, geëgaliseerd en opnieuw verkaveld. Midden over het landbouwbedrijf werd een verharde weg aangelegd.

 

 Voor het afvalwater kwam een bassin van 30 ha, verdeeld in drie vakken, waarvan het mogelijk bleek jaarlijks twee vakken voor de verbouw van gewassen te benutten. Feitelijk verdween daarmee het bestaansrecht van het landbouwbedrijf, maar tot liquidatie kwam het niet.

Ook in de zestiger jaren werd de boerderij niet afgestoten; het landbouwbedrijf bleef bestaan en werd opgenomen in de W.T.M.

Het bedrijf
De coöperatieve aardappelmeelfabriek “Westerwolde” was een vereniging, waarbij de algemene ledenvergadering als hoogste instantie werd erkend. Deze ledenvergadering koos uit haar midden het bestuur, dat uit zeven leden bestond. Elk jaar trad een derde deel af, men was direct herkiesbaar.

De leden beoordeelden jaarlijks het bestuursbeleid. Zij hadden het recht om tijdens de algemene ledenvergadering één stem per aandeel uit te brengen.





Collectie Veenkoloniaal Museum

De leden waren verplicht om aan de fabriek jaarlijks 200 hectoliter aardappelen per aandeel te leveren. Statutair was vastgelegd dat zowel natuurlijke personen als rechtspersonen lid konden zijn. De leden moesten minstens één hectare land bezitten die geschikt was voor de fabrieksaardappelenteelt. Houders van de zogenaamde oprichtersaandelen – dat zijn aandelen uitgegeven voor 14 juli 1913 - waren hiervan vrijgesteld.

Het technisch en administratief beheer van “Westerwolde” werd aan het bestuur toevertrouwd. Zij werden gecontroleerd door de raad van commissarissen, bestaande uit drie leden, die uit en door de algemene ledenvergadering gekozen werd. De raad had het recht om te allen tijde de boekhouding in te zien, terwijl ten minste één maal per maand een gecombineerde vergadering met het bestuur gehouden moest worden.

Voor het dagelijks beheer van de fabriek stelde het bestuur een directeur aan, die de technische en de administratieve leiding had.

Na 1923 werd, zoals eerder vermeld, de directeur chef-boekhouder genoemd en kreeg hij een gedelegeerd bestuurslid naast zich. In 1947 werd voor de technische leiding een afzonderlijke functionaris aangesteld, maar de chef-boekhouder bleef de belangrijkste positie bekleden.

Hij hield zich persoonlijk bezig met de in- en verkoop en de administratie, maar ook als productieleider van de aardappelmeelfabriek, de turfstrooiselfabriek en de drogerij, als personeels-functionaris en als vertegenwoordiger van het bedrijf. Kortom: de chef-boekhouder was een duizendpoot.

De boerderij en de veenderij werden gecontroleerd door een lid van het bestuur, de cultuurchef. De dagelijkse leiding was in handen van de zetboer. De administratie en de correspondentie werden echter verzorgd door de chef-boekhouder.

Inkoop

Het lidmaatschap van de vereniging was onlosmakelijk verbonden aan de plicht om per aandeel 200 hectoliter aardappelen te leveren. Deze  levering was voor de fabriek een basis van een bepaalde hoeveelheid grondstof, en de leden hadden een zekerstelling van een redelijke prijs. Na de campagne kregen zij een uitkering, de hoogte van de uitkering was afhankelijk van het zetmeelgehalte van de geleverde aardappelen almede het bedrijfsresultaat. Wanneer het voor een lid niet mogelijk was om uit eigen opbrengst het quantum te leveren, dan kon hij dat op de vrije markt zelf bijkopen of hij droeg dit op aan het bestuur om namens hem deze transactie te verrichten. Bij in gebreke blijven kon het bestuur hem beboeten.

Deze regeling was ook van kracht voor leden die geen aardappelen verbouwden. Zij werden gezien als "speculatieve aandeelhouders".

Indien het bestuur oordeelde dat de op aandelen geleverde hoeveelheid aardappelen te weinig was voor een rendabele campagne kon het bestuur besluiten om extra aardappelen te kopen. Leden konden dan meer aardappelen leveren dan zij verplicht waren. Voor de verwerking van deze aardappelen moesten zij een bijdrage leveren in de productiekosten, maalloon genoemd. Ook deze partijen gaven recht op een einduitkering. Deze overeenkomst stond ook open voor niet-leden. Was de markt krap dan was het mogelijk dat de aardappelen verwerkt werden tegen "gratis-maalloon". Het bestuur kon ook besluiten om op de vrije markt aardappelen bij te kopen voor rekening van de vereniging.


Op de foto het kantoorpersoneel in de periode 1947-1953

Productieproces

De campagne was van de nazomer tot in de winter. De aanvoer van aardappelen was per schip. Na aankomst werden de aardappelen gewassen en gewogen. Nadat het zetmeelgehalte was  bepaald kon het vermalen beginnen. Het zetmeel werd door raspen en zeven gescheiden van de overige bestanddelen. Hierbij werd veel water gebruikt, het afvalwater ging naar de vloeivelden. Het op deze manier verkregen aardappelmeel werd gedroogd en opgeslagen in de meelloods. De restanten, vezels of korries genoemd, werden zo nodig nagemalen en daarna als veevoeder verkocht.

Verkoop

Hoge vrachtkosten bemoeilijkte de concurrentie op de binnenlandse markt. De  buitenlandse markt gebruikte voor de aardappelmeelindustrie over het algemeen c.i.f.-prijzen (prijzen inclusief costs, insurance and freight), deze boden meer speelruimte voor scherpe offertes.

Het aardappelmeel werd geklasseerd in de kwaliteit “Supra” en “Afwijkend Supra. Dat was topkwaliteit. De mindere soorten, gewonnen tijdens de vezelcampagnes, werden geklasseerd in de kwaliteit “Prima-secunda”, “Afwijkend Prima-secunda”, “Secunda” (ook wel “Tertia” genoemd) en “Afwijkend Secunda”.

Het afzetgebied voor het aardappelmeel van "Westerwolde" was in  binnen- en buitenland. Na de fusie in 1956 verzorgde de AVEBE de verkoop. 

Literatuur

Geraadpleegd is het archief van het Groninger Historisch Archief te Groningen.

Foto’s zijn beschikbaar gesteld door het Veenkoloniaal Museum te Veendam en het Streek Historisch Centrum te Stadskanaal en Gerda Drent

Dendermonde, M. " Hoe wij het rooiden ", Veendam 1979

Keuning, H.J. " De groninger Veenkoloniën ", Amsterdam 1933

Kok, J. " Het landbouwbedrijf in de Veenkoloniën ¿, Deventer.

Minderhoud, G. " Ontwikkeling en betekenis der Landbouwindustrie in Groningen ", 1925

Tankink, H. " De coöperatieve vereniging aardappelmeelfabriek "Westerwolde ". De aardappelmeelfabriek van Veelerveen, temidden van haar zusterverenigingen, 1913 - 1964". Doctoraalscriptie. Groningen/Harreveld, 1980 - 1981.

Schuitemaker, Artikel in de landbode: “De fabrieksboerderij” te Veelerveen.

Nawoord

Bij het samenstellen is gebruik gemaakt van informatie verkregen uit bronnen van het Groninger Historisch Archief. Dankbaar ben ik voor het verkregen fotomateriaal welke beschikbaar is gesteld door het Veenkoloniaal Museum in Veendam en het Streek Historisch Centrum in Stadskanaal. Ook ben ik de familie H. Brouwer erkentelijk, omdat zij mij de gegevens van de “Fabrieksboerderij” beschikbaar stelden. Mede door de inzet van mijn echtgenote is dit verhaal tot stand gekomen.

Door deze publicatie hoop ik dat het verleden van Veelerveen in de herinnering blijft.

 

P.H.A. Meijer
24 maart 2010