Burcht Wedde - Harm Nijboer


Huis te Wedde

Amateur historicus Harm Nijboer is begonnen met de geschiedenis van het Huis te Wedde, ook wel genoemd de Burcht te Wedde, op papier te zetten. Hij publiceert dit in de dorpskrant "Ons Dörp Wedde". Oud Bellingwedde mag het nu ook publiceren. Er zullen meerdere delen verschijnen. In de loop van de tijd zullen deze ook op de site verschijnen. 


HET HUIS TE WEDDE

AFLEVERING 1. DE BOUW VAN DE 1e WOONTOREN.

De geschiedenis van de burcht begint met de 2e Sint Marcellusvloed in 1362. De hoofdelingenfamilie Addinga verloor huis en have in het toenmalige Reiderland. Om een nieuwe start te maken wende de familie zich tot de abt van het klooster Corvey aan de Weser. In het stroomdal van de Westerwoldse Aa bezat het klooster Corvey een aantal stukken grond en deze mocht de familie gebruiken om een nieuw ‘bestaan’ op te bouwen.
De gronden bij de Westerwoldse Aa waren te laag om er te wonen dus het deel van het land waar de familie een woontoren (steenhuis of stins) wilde bouwen moest verhoogd worden. De plaats was in eerste instantie niet zo voor de hand liggend vanwege de lage ligging maar de nabijheid van de brug over de Westerwoldse Aa moest veel goed maken. Het was er de familie dus om te doen om de brug over de Aa te beheersen. De brug was de enige plaats waar men vanaf het westen en noorden in Westerwolde kon geraken.
Wedde werd in het verleden dan ook niet voor niets ‘de poort van Westerwolde’ genoemd. Toevallig liep een belangrijke 'heerweg' voor een deel door Westerwolds gebied. De weg begin in de stad Groningen en liep grofweg via de dorpen Middelbert, Harkstede, Slochteren, Noordbroek, Zuidbroek, Meeden, Winschoten, Wedde, Vlagtwedde, via een smal kunstmatig pad door het Bourtangermoeras naar diverse regio in Duitsland. Deze weg leidde een bepaalde tijd ook naar Oostfriesland. Westerwolde werd aan drie zijden begrensd door uitgebreide gebieden hoogveenmoeras. Dit was alleen doorgankelijk als je van de plaatselijke situatie op de hoogte was en dan ook nog alleen maar in de zomermaanden. In het noorden waren met de vloed grote delen land weggespoeld. De dorpen Blijham en Bellingwolde lagen oorspronkelijk niet in Westerwolde en moesten zelfs verplaatst worden in verband met een opdringende Dollard. De Dollard reikte eens tot aan Wedde. In de buurt van de burcht is zelfs nog Dollardklei aangetroffen. Het van oorsprong Westerwolds dorp Vriescheloo moest dit lot eveneens ondergaan. Ten westen en noorden van Wedde lagen uitgebreide lage stoomdalgronden. Bij hoog water stroomden deze gebieden vaak onder water. Vooral in de herfst- en wintermaanden was het gebied vanaf het zuiden van Wedde tot het buurtschap Lutjeloo een opvanggebied voor water wat vanaf de hogere Westerwoldse gronden richting Wedde stroomde. Dit water moest vanaf het (ongeveer) 9 meter hoger gelegen Ter-Apel via diverse beekjes, sloten en andere watergangen een weg banen richting twee grotere riviertjes die iets ten zuiden van Wedde gezamenlijk verder gingen als Westerwoldse Aa. De kleinste watergangen ontstonden zelfs in de Drentse veengebieden. De Stroomdalgebied van de ‘Aa’s’ kunnen we zien als een omgekeerde delta. .Het veen nam in eerste instantie veel water op maar door toenemende veenontginningen in de grensgebieden ontstond steeds meer wateroverlast in de lager gelegen gebieden.
Was de Sint-Marcellusvloed verantwoordelijk voor het ontstaan van de Dollard, hierna was het met de uitbreiding van de Dollard nog niet gedaan. Vele dorpen in het Oldambt zoals onder andere Noord- en Zuidbroek moesten van plaats veranderen. In die tijd was het aanleggen van dijken moeilijk doordat er in de rest van de provincie eveneens zeer uitgebreide veengebieden lagen. De hierboven genoemde handelsweg moest zich hier doorheen slingeren en vaak moest men gedeeltelijk door veengebieden trekken om in de stad Groningen te komen. De hierboven beschreven situatie in Oost- en midden Groningen zou voor een groot deel voortbestaan tot ongeveer halverwege de 18e eeuw. Sommige veengebieden zoals het Bourtangermoeras bleven grotendeels zelfs nog langer bestaan. De geschetste situatie in oostelijk Groningen is zeer belangrijk voor de geschiedenis van de burcht! De familie Addinga had een strategisch gelegen plaats uitgekozen om zich te vestigen en dat kon geen toeval zijn. Wie de Wedderbrug in handen had bezat eigenlijk geheel Westerwolde zoals een aantal keren duidelijk zou blijken. Het is dus geen toeval dat de familie Addinga de lage ligging van de landen naast de Westerwoldse Aa voor lief namen. Gronden die hoog en droog lagen waren (al) in het bezit van eigenerfde boeren woonachtig te Wedde. Om een stenen huis te bouwen koos men een plaats zo ver mogelijke bij de W. Aa vandaan en zo dicht mogelijk bij de brug. Er was echter nog iets aan de hand in dit landschap. De landen van het klooster lagen gedeeltelijk op een eiland dat werd gevormd door 2 verschillende takken van de Westerwoldse Aa. Een zijtak van de W. Aa. Ongeveer 750 meter ten zuiden van de Wedderbrug begon deze zijtak en liep langs de voet van de ‘kleine es’ en ongeveer tussen de huidige binnen- en buitengracht door richting de W. Aa. De huidige ‘sloot’ van de Aa naar de buitengracht is hier nog een deel van. Van het andere deel kunnen bij de zuidelijke buitengracht nog een stukje zien liggen. Dit is iets verderop richting A dicht gegooid. Deze zijtak werd in de 18e eeuw nog ‘Oude Aa’ genoemd, alleen dacht men dat de huidige zuidelijke- en westelijke buitengracht bij de oude loop behoorde. Deze gevolgtrekking ligt voor de hand maar is feitelijk onjuist. Bij de voorbereidingen om de gehele binnengracht te reconstrueren (jaren 90) vond men iets ten oosten van de huidige binnengracht resten van een bedding met een beschoeiing. Met deze constatering kunnen we heel wat reconstrueren wat het burchtcomplex betreft. Als we even de lage gronden vergeten was dit gebied dus uitermate geschikt om een versterking te bouwen om Westerwolde- en de handelsweg te beheersen. De Wedder bevolking heeft jammer genoeg niet van deze ligging kunnen profiteren want werd tijdens diverse oorlogshandelingen in de loop der eeuwen (ruwweg van 1365 tot 1672) geconfronteerd met de strategische ligging van de burcht.
Het eerst wat de familie moest doen was de plaats waar het burchtcomplex (woontoren en voorburcht) zou komen voldoende op te hogen. Door het glooiend maaiveld is de mate van ophoging verschillend maar in het gebied waar de woontoren kwam te staan moest men het gebied nog ongeveer 3 meter ophogen (vanaf de fundamenten van het oude huis gerekend). Toen de kelder werd opgemetseld werd deze ook omgeven door een zandlichaam. Het kwam er op neer dat in eerste instantie een gebied van 30 meter in het vierkant moest worden opgehoogd voordat men de fundamenten kon legen en de woontoren verder opmetselen. De kelder werd voor ongeveer driekwart hoogte met zand omgeven en als we de taluds er van elke zijde afhalen bleef er een ‘eiland’ van 26 m2 over. Het gebied waar de voorborg kwam moest echter ook beschermd worden tegen het water en moest eveneens hoger gemaakt worden. Vaak lag de voorburcht dus iets lager dan de woontoren. Het lijkt allemaal zo eenvoudig, maar men kan geen gebouw plaatsen op een pas opgehoogd stuk land. De grond moet ‘inklinken’ en er moeten bouwmaterialen worden besteld. Tegenwoordig is dit binnen een aantal dagen leverbaar maar in die tijd was het bakken van stenen seizoenwerk en was dit zeer arbeidsintensief en daardoor duur. De jaarlijkse productie was gelimiteerd en er moest ongeveer een jaar voor de bouw steen besteld worden. In die tijd kon men nog vrij snel en goedkoop aan hout komen. Het bouwen van een schathuis, schuren en werkplaatsen op de voorburcht was niet een groot probleem. Deze gebouwen konden al vrij snel in gebruik worden genomen. De familie Addinga, bedienden, knechten en soldaten zullen hier dan ook in eerste instantie hebben gewoond.  
Om het kasteeleiland stroomde een binnengracht van ongeveer 10 meter breed. De buitengracht werd in het noorden en oosten door de hierboven al aangehaalde zijtak van de W. Aa gevormd en deze gracht zal een licht meanderende loop hebben vertoond. Het wonderlijke is dat de vroegste kaart van de burcht (uit omstreeks 1564) een strakke loop van de buitengracht vertoond en een aantal kaarten uit het midden van de 18e eeuw een sterk kronkelend verloop van de zuid- en westelijke buitengracht laten zien. Door de veranderende stroming is dit natuurlijk mogelijk maar het is niet logisch te noemen. Misschien dat de zuidelijke- en westelijke buitengracht ook dichter bij het huis lagen dan nu het geval is. Zeker weten we het niet maar het ligt wel voor de hand. De voorburcht met zijn militair en economisch georiënteerde gebouwen zal in het westen waarschijnlijk de grootste breedte hebben gehad. In het noorden zal de zijtak schuin over het terrein hebben gelopen richting het zuiden, dus was waarschijnlijk alleen het eerste deel breed genoeg om iets op de te bouwen. In het oosten en zuiden zal de ruimte tussen binnen- en buitengracht niet al te breed zijn geweest. Misschien was zelfs het westelijk deel smaller dan nu het geval is. De eerste verdedigingslijn lag bij de voorburcht en in die tijden waren voorburchten ook al beschermd. Bij de grote kastelen in het midden van ons land zien we dat nog goed, maar het is zeer de vraag of dit bij de burcht ook zo is geweest. In de oudheid was ‘zand’ het middel om verdedigingswallen te bouwen. Het was goedkoop en snel aan te brengen. Misschien was de voorburcht van de Addinga’s met een aarden wal beschermd tegen ongewenste indringers en hielden ze in bepaalde tijden eveneens het opdringerige water tegen. Dit lijkt nu onmogelijk maar midden 16e eeuw werd de buitenbrug door hoog water en storm weggespoeld. In deze tijd kunnen we ons dat niet meer voorstellen maar in die tijd kon de W. Aa nog behoorlijk tekeer gaan. Pas met de bouw van de Bellingwolderzijl werd het iets gemakkelijker. De volgende keer gaan we verder met de bouw, indeling en bewoning van de eerste woontoren.

Harm Nijboer