H. Bouwgeschiedenis

Deze tekst is ontleend aan een uitgave uit 1977 van de gemeente Bellingwedde, Aannemersbedrijf Koning B.V, Stadskanaal en Buro voor Architektuur en Restauratie P.L. de Vrieze, Groningen.

Bouwgeschiedenis aan de hand van archiefstukken 1839/'41

Ter voorbereiding van de verbouwing in 1840, vindt een uitvoerige correspondentie plaats om de nodige toestemmingen, gelden en subsidies te verkrijgen. In dat opzicht verschilt deze tijdrovende procedure niet van die in onze zo geheten snelle wereld.
Helaas ontbraken de inleidende stukken met verzoeken om subsidie aan de Koning, aan het College van Toezicht e.d. Het eerste stuk dateert van 1 juni 1839 en is door de Minister van Staat, H. Pallandt van Keppel gericht aan de Heer Gouveneur van de Provincie Groningen, waarin het volgende wordt meegedeeld: 'Ontvangen hebbende Zijner Majesteits besluit van den 30 Mei bl. no. 75, waarbij aan de Hervormde Gemeente te Wedde (Groningen), teneinde met de middelen bij haar voorhanden derzelver Kerkgebouw en Pastorie in eene behoorlijke Staat te herstellen, wordt verleend een rijkssubsidie van twee duizend vijf honderd gulden (f 2500.-) te voldoen in handen van het Provinciaal College van Toezicht op de Kerkelijke administratie der Hervormden in Groningen, zullende de werken der herstelling, (welke zullen worden uitgevoerd overeenkomstig een bestek en begrooting van Kosten, hetwelk door eenen daartoe door den Heer Staatsraad Gouveneur der Provincie Groningen aan te wijzen ambtenaar van den Waterstaat zal moetel worden opgemaakt) alsmede de besteding der penningen tot dat einde moeten plaats hebben, onder goedkeuring van een verantwoording aan hetzelve Collegie, hetwelk na afloop der zaak, daarvan verslag aan hem Minister zal moeten doen.'

Een subsidie van f 2500,- is in 1840 een niet gering bedrag, als men weet dat de begroting f 3441.21 bedroeg.
Op 8 juni 1839 schrijft het Kollege van Toezicht, (dat een afschrift van 's Ministers brief ontvangen had) aan de Kerkvoogden der Hervormde Gemeente van Wedde: 'deze uit te nodigen om met eenigen spoed op te geven:

1. of en zoo ja! Wat doelmatig in dit jaar kan en behoort te worden gedaan; daarbij in het oog houdende eensdeels (het noodzakelijke van die herstellingen voor den winter, behoudens goed verband met de overige vereischte werken en anderdeels het gevorderde gunstige saisoen en de hooge prijs van materialen en dagloonen in dit jaar.
2. deze specifieke nota van al de overige herstellingen.
3. eene begrooting van kosten. a. der herstellingen sub 1. bedoeld. b. van die sub 2 aangeduid.
4. welke middelen de gemeente zal bijdragen, op welke wijze voorzooverre de herstellingen f 2500,- te boven zullen gaan. De Gouveneur der Provincie Groningen, Rutgers, vraagt in een schrijven van 24juni 1839 aan de Hoofdingenieur van de Waterstaat om hem een ambtenaar van den Waterstaat aan te wijzen aan welke 'deze werkzaamheid voeglijkst zal kunnen worden opgedragen.'

Op 4 juli 1839 levert timmerman B. Petersen te Bellingwolde een gespecificeerde begroting van drie bladzijden in, uitkomende op f 3441.211/2, genaamd: Nota van Matterialen en werkloonen der Kerk te Wedde. Enkele opmerkingen bij deze begroting zijn voor het inzicht in de bouwgeschiedenis wel nodig. Voor de vloer worden in 1836 blauwe vloeren opgegeven van f 73.4.4.
Dit zijn de nog aanwezige blauwgrijze ongeglazuurde vloertegels van 21 X 21 cm.
Het verven van het Gewelf voor 25,- betekent niet dat er toen nog een gewelf aanwezig was. Oudergewoonte sprak men bij een vlak plafond nog steeds van een gewelf.
Onder ten Derden vinden we de uitdrukking: 'Nieuwe Gezichten der Kerk, hoog in de Dag 2 El, 2 Palm, breed 1 El, 2 Palm'. Dit zijn de nieuwe houten neogotische ramen hoog 2.20 m en breed 1.20 cm, zoals die bij de laatste restauratie weer vernieuwd zijn.
Ook de zitplaatsen zijn de bij deze verbouwing van 1840 vernieuwd n,l. 32 gelijke zitplaatsen en een zitplaats rond op koor. dito een deur en predikstoel, Daar er geen latere nota 's van nieuwe banken gevonden zijn, moet men aannemen dat de huidige banken die van 1840 zijn. De hele begroting der kerk bedroeg f 1315,561/2

Op 27 juli 1839 schrijft de hoofdingenieur van de Waterstaat in de Provincie Groningen, Ir, Krol, aan de Minister van Staat: 'dat hij het om vele redenen noodzakelijk geacht heeft om de situatie of gesteldheid der Kerk en pastory zelve in oogenschouw te nemen…….
Bij welke inspectie in bijzijn van kerkvoogden aldaar, mij is gebleken dat van de Kerk, zoo al iets, evenwel zeer weinig kan behouden blijven en dus geheel vernieuwd moet worden,' en even verder:
'……terwijl het kerkgebouw in den hoogsten graad bouwvallig is en het eene einde al zeer weinig nodig heeft om van zelve in te storten, zoo dat ik het hoogst gevaarlijk vinde, wanneer er geene meerdere en sterkere voorzieningsmiddelen dan thans bestaan daartegen worden plaats gegeven, in die kerk langer dienst te doen, en de opkomende Gemeente daaraan te wagen, terwijl de voorgenomen vernieuwing of herstelling veel te laat wordt ondernomen,'
In dezelfde brief wordt opzichter W. Raammaker voorgedragen om het toezicht van overheidswege op de verbouw uit te oefenen.
Deze benoeming wordt door het Kollege van Toezicht aan de Kerkvoogden per brief van 30 Augustus 1839 bevestigd.
Aangezien de heer Raammakers niet veel haast had het bestek en de begroting te maken, wordt hij meerdere malen aangemaand om enige spoed te betrachten. (8 en 12 februari 1840).
Maar tenslotte komt het dan toch zover, zodat Raammaker op 2 maart 1840 een declaratie indient bij de Gouveneur der Provincie, welke als volgt is gespecificeerd:

'Den 5 augustus 1839 van Groningen na Wedde gereisd, tot het doen der nodige opnemingen enz.: en geretourneerd den 8 dito
voor reiskosten en vertering f 15.00
Voor het opmaken van een teekening, specifike begroting van kosten en bestek van eene nieuwe Kerk te zamen f 37.50
Voor het opmaken van een teekening,specifike begroting van kosten en voorwaarden van aanbesteeding van het vernieuwen van den Schuur en het doen van reparatties aan de pastorie te zamen f 32.50
Voor het afschrijven der bestekken en begrotingen etc. f 7.00
Voor teeken en Schrijfbehoeften f 3.00
Somma f95,-

Op maart 1840 bericht opzichter Raammaker aan de Gouveneur der Provincie dat hij de kerk en de pastorie op 5 augustus 1839 in ogenschouw heeft genomen en de toestand zo bouwvallig vond, dat hij dientengevolge heeft opgemaakt:

1e. een Teekening - begroting van kosten en bestek van eene nieuwe kerk en 2e. een Teekening- begroting van kosten en Voorwaarden van aanbesteding van het vernieuwen der Schuur en het doen van herstellingen enz. aan de Pastorie.'
Dat de toestand als zeer gevaarlijk werd beoordeeld blijkt ook uit de brief van het College van Kerkvoogden aan de Heer Gouveneur, als President van het Kollege van Toezigt, waarin wordt aangedrongen op spoedige toezending van het bestek, opdat met werk begonnen kan worden, daar 'de gevelmuur van hunne kerk, thans zo gevaarlijk is, dat deze ieder oogenblik kan instorten, en zij reeds uit voorzigtigheidhalve, nieuwe palen voor denzelven hebben laten zetten.'

Op 5 juni 1840 zendt G. Dieltjens uit Bourtange een brief, waarin hij bericht dat 'het plan, begrooting van kosten, benevens het bestek voor het herstellen en vernieuwen Uwer Kerk, Pastoryen Schuur' tegen morgen in gereedheid is. Letterlijk schrijft hij:
'Het is mij dan eindelijk na eene slaafsche en herhaalde behandeling mogen gelukken, de te doene vernieuwingen bovengemeld, voor de door UwEd. aan mij opgegevene som van f 3300,- ten uitvoer te kunnen brengen.
De onkosten welke op dit een en ander gevallen zijn, zijn als volgt: Voor het opnemen en maken van het plan, bestek en begrooting f 58.00
Voor het helpen opmeten van een timmerman, drie dagen à één gulden per dag is f 3.00 Voor het schrijven van het bestek en begrooting van kosten f 11,20
Te zamen f 72.20

Dit is dus de tweede begroting. De eerste werd opgemaakt door timmerman B. Petersen op 4 juli 1839. De tweede kan niet veel van de eerste verschilt hebben, in beide gevallen is sprake van herstel en niet van nieuwbouw.
Uit de toestand van het gebouw weten we dat dit inderdaad het geval is geweest. Toen zullen ook de beide extra steunberen aan de zuidelijke schipgevel zijn aangebracht. Of de toestand werkelijk zo dramatisch was als in de correspondentie wordt voorgesteld, moet betwijfeld worden. Men had bij de Waterstaat wel vaker van die opruimingsgedachten.
Ook in Norg had men tussen 1836 en 1840 met dezelfde problematiek te doen. Ook daar bleef de oude 13e eeuwse kerk gelukkig bewaard, net als in Wedde.
Maar in Borger wonnen de technici: de middeleeuwse kerk werd afgebroken en vervangen door een z.g.waterstaatskerkje.

Op 16 juli 1840 gaat er een schrijven namens Koning Willem I uit van het Departement van de zaken der Hervormde Kerk, waarin opnieuw de toegestane subsidie van f 2500,- wordt vermeld en goedgevonden dat het werk aan de kerk wordt aanbesteed overeenkomstig bestek en begroting, op te maken door de ambtenaar van de Waterstaat. De kosten zijn geraamd op f 7275,-.

Op 3 september 1840 zendt G. Dieltjens uit Bourtange 'het bestek in duplo met de daarbij behorende begroting'. Helaas is deze begroting van juli 1840 niet meer aanwezig.
Uit de gevonden toestand werd echter duidelijk dat het herstel heeft plaats gevonden..
De houten ramen, de banken. de plavuizen vloer en de (later weer verdwenen) zitplaatsen rond het koor en de zuiddeur op het koor dateren alle uit 1841.

1861.Torenbouw
Uit de notulen van 1840 en de begroting blijkt niet duidelijk of er toen een portaal aan de westgevel van de kerk is gebouwd. Op het kadastrale minuutplan van ±1830 staat reeds een portaal aangegeven, zodat we moeten aannemen dat dit portaal van oudere datum is.
Als in 1860 besloten wordt om een betere voorziening voor de luidklok te treffen, vraagt de kerkvoogdij goedkeuring aan Gedeputeerde Staten en het College van Toezicht voor een lening van f 1000,- à 4% te mogen sluiten 'ter bestrijding der kosten benoodigd voor de herstelling van het klokhuis, hetwelk in bouwvalligen staat is'.

Uiteindelijk gaat men ertoe over de houten klokkenstoel af te breken en een stenen toren tegen de westzijde van de kerk te bouwen, waarbij de middeleeuwse west gevel der kerk afgebroken wordt.
In het kasboek staat op 4 juni 1860 genoteerd:
'de kerkvoogden en 2 timmerlieden bij Maarsing (kastelein) te samen geweest om te spreken over de tooren. doe verteerd f 1,-

Op 11 juni lezen we:
Aan Schaafsema betaald het verschot van een brief tot verbetering van de kloktooren voor leges en transport 2 – 12 1/

20 juli:
bij het uitbesteden van de tooren aan strijk- en botgeld betaald de som van f 13,- betaald voor reeds en het uitschrijven van het bestek van de tooren som v. 3 - 35.

Op 5 november vermeld het kasboek: Kerkvoogden en eenige Notabelen en Raatje (=aannemer) met zijn knechten bij het bezichtigen van het volledig aftimmeren der tooren en bij het klokluiden bij Maarsing verteerd 6 - 05.

In 1861 wordt op 6 februari de volgende uitgaaf genoteerd: Volgens reken en kwitantie aan F. B. Raatjes betaald voor het bouwen van de Nieuwe tooren som van f 1719.37

Nog aan Raatjes betaald aan botgeld dat hem nog toe kwam bij het uitbesteden van de tooren de som f 4.50 Voor het opzicht werd op

4 februari 1861 betaald aan M. Balk te Winschoot tot het bouwen van de tooren f 40.-
Tenslotte beschikken we nog over de eindafrekening van de torenbouw, waarop helaas niet de gespecificeerde bedragen en de toren staan, omdat dit een aangenomen som was n.l. f 1455,-.
Wel staat het meer- en minderwerk vermeld.
Het resultaat was een zeer eenvoudige dorpstoren, voorzien van een soort woonhuisdeur volgens de toen gangbare opvattingen: een horizontaal onder en bovenpaneel en twee verticale panelen met gietijzeren rooster, bekroond door een halfrond bovenlicht.
Het geheel is op klassieke wijze omlijst met een houten betimmering in de vorm van pilasters met fries en kroonlijst.
Wat de hoogte van het gemetselde deel betreft is deze eigenlijk te laag voor het kerkgebouw.
De kroonlijst sluit n.l. precies tegen de nok van het kerkdak aan. Hier zullen zuinigheidsoverwegingen een rol gespeeld hebben.

1875.
In het archief der Kerkvoogdij komt voor een Bestek en voorwaarden van 24 juli 1875, waarnaar wordt uitbesteed :
- het herstellen der kerk te Wedde van buiten en van binnen,
- het bepleisteren der muren met portlandcement van buiten,
- het verven der kerk van binnen en van buiten en het herstellen van de aan de kerk verbonden Toorn en het verven daarvan van buiten, alles met bijlevering der materialen.
De belangrijkste van die voorwaarden zijn de volgende:
1. het muurwerk om de kerk zindelijk afkappen, schoonmaken, bijwerken en twee keer bepleisteren met portlandcement en gewreven kalk, van ieder soort de helft en de tweede laag met tweederde portlandsch cement en eenderde gezeefd wit meerzand. Het pleisterwerk behoorlijk afzetten in blokken.
2. In de kerk te verven: de banken, de leunings, de lambriserings, de preekstoel en verder houtwerk. De zittingen moeten twee keeren brom en de predikstoel matwit worden geverfd, doch niet gelakt. De vensterraams van binnen twee maal ligt blauwen gelakt. De zolder in de kerk twee keeren ligt grijs en de deuren van buiten twee keer groen. Het hout van de toren twee keeren geverfd met beste olijfverf en wel groen en wit, naar de kleuren waarmee hij vroeger (1860!) geverfd is.
Verder zijn de volgende wijzigingen toegevoegd:
a. De nachtmaalstafel moet twee keeren met beste oly-verf geverfd worden met eene kleur zoals thans, en gelakt.
b. De pilaren, de treden en het klankbord en de onderste bal van
predikstoel zullen inplaats van geverfd gebronsd moeten worden.
De timmerman-aannemer is Hindrik Jacob Kruizinga te Blijham, voor een bedrag van f478,-.