E. Voor de restauratie

Deze tekst is ontleend aan een uitgave uit 1977 van de gemeente Bellingwedde, Aannemersbedrijf Koning B.V, Stadskanaal en Buro voor Architektuur en Restauratie P.L. de Vrieze, Groningen.


Beschrijving van de kerk voor de restauratie *)

Noordgevel (gepleisterd) voor de restauratie

Even terzijde van de hoofdweg ligt op een ruim kerkhof de op het eerste gezicht weinig opvallende hervormde kerk. Grijs gepleisterde muren, verdeeld in grote imitatie natuursteenblokken, een dakoverstek met zwaargehavende goot en een dak bedekt met blauwe vlakke Friese pannen. Daarmee is de ouderdom van dit bouwwerk volslagen onbepaalbaar geworden.
Dat de toren midden 19e eeuws is valt na enige beschouwing wel te constateren: zie alleen maar eens naar de deur met zijn gietijzeren roosterwerk, dat zo karakteristiek is voor vele van onze boerderijen.
Tijdens onze ontdekkingstocht door dit kleine kerkgebouw (afmetingen inwendig 5,11 x 14,20 m plus een koor van 5,80 m diep) kwamen allerlei details aan het licht waaruit bleek dat we hier te doen hebben met een oorspronkelijk 13e eeuwse kerk. Let eens op de noordmuur waarin een serie van 5 spitsboognissen en één spitsboograam voorkomen, zoals we die ook kennen van kerken als die te Noordwolde (Gr.), Nuis, Oldehove, Heilige Geest Kapel (noord gevel) te Groningen, e.d. Op de zolder boven de balken zien we dat de muur opgebouwd is van zeer zware kloostermoppen, afm. 29x 13, 7x9 cm. Het koor is duidelijk uit een latere periode; het is iets breder dan de kerk (inwendig 6,70 m breed) en heeft een flauw driezijdige sluiting, op de 6 hoeken voorzien van steunberen. Dit koor dateert uit de 15e eeuw, maar was oorspronkelijk hoger dan tegenwoordig, nu schip en koor onder één dak met doorgaande nok liggen. Vroeger moet de kerk een geleed uiterlijk hebben getoond, zoals we dat nu nog kennen van de kerken in Vries en de Martini te Groningen. Op de kerkzolder is het oude gotische profiel van enkele van de in oorsprong hoge vensters nog zichtbaar.
De kap biedt ook nog enige dateringgegevens. Deze is n.l. opgebouwd uit oude eiken sporenspanten, waarbij de hanenbalken met houten toognagels bevestigd zijn.
Aangezien uit de archieven bekend is dat gedurende de eerste oorlog met de bisschop van Munster de kerk in 1666 verwoest werd, en er rekeningen bestaan handelende over de 'opbouwingen van de kercke tot Wedde', lijkt het aannemelijk deze kap als 17e eeuws te dateren. Ook de z.g.n. kapmerken (merken die door de timmerlui worden aangebracht om de kaponderdelen boven op het bouwwerk op de juiste wijze te kunnen monteren) wijzen in die richting. Helaas werd de herstelde kerk in 1685 weer beschadigd, nu door een zwaar onweer. Een gift uit Westeremden licht ons hierover in: '1686, den 27 September tot reparatie van de kercke van Wedde 1.10 gl.'
Of er een oudere toren heeft gestaan is niet bekend. Daarvoor zal een grondonderzoek moeten plaats vinden. Wel vermeldt Van der Aa in zijn Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden, dl. XII (1849) dat er een houten klokkestoel op enige afstand van de kerk heeft gestaan.
In 1841 vinden herstellingen plaats; op de bovendorpel van het deurkozijn tussen toren en kerk staat n.l. ingekrast in een fraaie schrijfletter: Deze kerk hersteld door B.E.Loning in 1841. Helaas zal men toen veel ten ongunste gewijzigd hebben.
In 1860 wordt de klokkestoel vervangen door de huidige toren, bestaande uit een vierkante bakstenen romp, afgedekt door een zware neoklassieke gootlijst versierd met een 24 tal gebakken consoles, bekroond door een leigedekte hoogopgaande spits, waarop een haan als windwijzer.
Eind 19e of begin 2Oe eeuw heeft men vermoedelijk de grauwe cementpleister aangebracht, dat in die dagen als het panacee voor alle vochtproblemen werd beschouwd. Aan de achterzijde tegen de preekstoelwand ligt achter de regenput een deel van een zeer oude gebeeldhouwde bremer zerk. Helaas is onder het zuidelijke koorraam een toegang ingebroken waarvoor alweer een oude grafzerk als stoepsteen ligt. Ook de torentoegang is op een dergelijke wijze van een stoep voorzien.

Sober interieur


Interieur naar het westen met galerei zonder orgel;
let op het schrootjesplafond en kolenkachel. Foto: P.L. de Vrieze

Het interieur der kerk is wel zeer sober. Witte wanden, eiken-imitatie geschilderde banken en galerij; een verlaagd schrootjesplafond met enige sierlijsten. Bij nadere beschouwing zijn er toch nog diverse waardevolle stukken aanwezig. Allereerst de fraaie eiken preekstoel, waarvan de panelen onversierd zijn, maar met snijwerk (bladen met vruchten) in plint en fries. Op de 6 hoeken staan getorste zuiltjes. Op een cartouche staat het opschrift: 1679 Frederik Alberts kistemaker tot Leer. Waaruit geconcludeerd mag worden dat ook hier weer sprake was van kontakten met Oost- Friesland, zoals die in onze grensgebieden regelmatig voorkomen.

Verder staat er tegen de noordmuur een sterk gewijzigde eikenhouten drostenbank met een opengewerkt volutenepzetstuk uit ±1700, waarin het wapen der stad Groningen. De overige stukken bestaan uit een aantal gebeeldhouwde grafzerken o.a. van de borggraven Derck Haselhof (1650) en Evert Haselhof(1670), de predikant Wybrandis Cranenborg (1713), de drost Petrus Muntinghe (1777) en van de laatste drost Mr. Albert Hendrik van Swinderen (1805).
Opmerkelijk is de zilveren avondmaalsbeker uit 1735,. geschonken door de drost Berent Aldringen. De bodem wordt n.l. gevormd door een munt uit 1618 met de beeltenis van de te paard voorgestelde hertog Ulricus Fredericus van Luneburg.
Ondanks het sombere aanzien van dit gebouw blijkt het toch de moeite waard het eens met een bezoek te vereren. Mocht men op den duur er toe over gaan dit kerkje te restaureren dan zal blijken dat er een waardevol 13e eeuws monument van geschiedenis en kunst achter de pleisterlagen schuil gaat.

*) Groninger Agenda 1966