Belevenissen van een Duitse jongen in Bellingwolde

Via e-mail kwamen we in contact met Adrie Bents. Die ons wel een heel bijzonder verhaal vertelde. Wij laten Adri aan het woord en laten u kennis maken met zijn verhaal.

Een Duits jongetje tijdens en na de tweede wereldoorlog op school in Bellingwolde

Uit het leven van Adrie (Ahlerich Wilhelm) Bents.

Mijn ouders woonden in Emden, waar ik op 9 oktober 1933 geboren werd. Mijn vader werkte in Emden op de scheepswerf en hij was een sociaaldemocraat in hart en nieren. Toen Adolf Hitler in 1933 aan de macht kwam werd mijn vader onmiddellijk gearresteerd. Na drie weken in de cel kwam mijn vader weer thuis. Hij stond nu op de zwarte lijst en werd door de Nazi’s in de gaten gehouden.

In 1936 verhuisden wij naar Wilhelmshaven en in 1939 ging ik daar naar school. Van de eerste drie schooljaren kan ik me zo goed als niets herinneren. Mijn ouders leefden in voortdurende angst weer gearresteerd te worden vanwege de vakbondsactiviteiten van mijn vader. Bovendien had ik een gehandicapte zus, terwijl de Nazi’s maar bleven preken over een ‘zuiver ras’ en tegelijkertijd namen de bombardementen steeds maar toe in aantal en in hevigheid.

Daarom besloten mijn ouders mij naar Nederland te brengen, want in Bellingwolde woonde een zus van mijn moeder. Bij deze tante ging ik zogenaamd ‘aansterken’ en zodoende kwam ik op 20 november 1942 bij mijn oom Engelke en tante Liesbeth in huis. Ik woonde nu bij de familie Christians op de Veendijk F12 in De Lehte

Adrie met zijn pleegouders

Oom Engelke heeft toen contact gezocht met meester Bos (of Hummels??), want ik moest immers naar school. De onderwijzer had begrip voor mijn situatie en zodoende kon ik als negenjarige op school terecht in de eerste klas bij juffrouw Smit. De rekenlessen volgde ik op het niveau van de derde klas, maar voor lezen en schrijven moest ik toch echt in klas 1 beginnen.


Adrie zat op de Oosterschool in Bellingwolde


Op de speelplaats was ik alleen maar de ‘oude mof’, maar na ingrijpen van meester Bos werd het beter en kon ik gewoon met de andere kinderen meespelen. Daarna kwam ik bij meester Poppinga en vervolgens bij juffrouw Dickboom in de vijfde klas. Ik herinner me nog dat ik in een dictee 32 !! fouten had.

Adrie in de zevende klas

Ondanks alle haat, vernederingen en beledigingen in het begin ben ik steeds graag naar school gegaan.

Adrie Bents stuurde nog wat aanvullingen op zijn verhaal

  • In 1944 heb ik de Oosterschool niet kunnen bezoeken omdat een zekere Heer Janssen, stationschef van Nieuwe Schans er achter was gekomen dat een Duitse jongen de Nederlandse school bezocht. Hij heeft me toen direct bij de Duitse school in Winschoten aangemeld. Godzijdank heeft hij mij alleen bij de school aangemeld en niet bij de gemeente, want ik was immers als vermist geregistreerd. Nu liep ik iedere morgen dezelfde weg met de jongens en meisjes maar kon niet met ze in de school gaan, want ik moest instappen in de bus bij "De Ross". De bus reed dan door Reiderland en Oldambt om kinderen op te halen van bezettingsfamilies of kinderen van N.S.B. 'ers die naar de Duise school gingen.Maar drie weken na de invasie in Normandië kwamen we 's morgens voor een dichte school. De conciërge kwam eraan en vertelde dat alle leraren naar het front moesten en dat de school daardoor gesloten was. Ik kon toen weer met veel plezier naar de Oosterschool gaan.
  • Als knaap van 11 jaar was ik er trots op om in het voorjaar met mijn oom Engelke 's morgens mee te kunnen gaan naar het turfgraven aan de grens in de Lethe. Het hoogveen hoorde toe aan de heer Dallinga. Hier mocht oom een half dagwerk afgraven en het was heel mooi om in het veen te spelen. Men kon toen de gevangenen aan de andere kant van de grens horen zingen. En als er dan iemand bestraft werd met de zweep dan hoorde je au, au en gekreun van iemand die pijn had. Als kind had ik het daar wel moeilijk mee, maar oom Engelke drukte mij op het hart om hierover niet te spreken
  • Nog een herinnering die weer boven is gekomen:
    Begin 1943 mocht ik mijn ouders nog een keer terugzien bij de grensovergang Bunde-Nieuweschans, waar nu nog de stenen gebouwen staan. Aan het gebouw zat een laadperron vast. Mijn ouders moesten beneden staan, mijn pleegouders en ik op het perron. We mochten elkaar geen hand geven, laat staan pappa en en mamma omarmen of knuffelen. Een bewaker stond erbij om na te gaan wat en waarover wij spraken. Een voorbeeld wat dictatuur is!

  • Na de eerste Wereldoorlog was de Lehte en bekende plek om te smokkelen. Maar de kanaaldijk, de veendijk en weg tussen beide werd streng bewaakt door de douane. Het smokkelen was moeilijk want het moest eerst over de grens en toen over het kanaal. Over het water werd de volgende methode toegepast: men haalde een koemaag bij de plaatselijke slager en hier werden de waren ingestopt, meestal thee. Daarna sprak men een punt af langs het kanaal. 's Nachts als het niet al te helder was, werd een steen gegooid, waar een dun koord aan vast zat met daaraan de koemaag met inhoud. En zo kon de steenvanger de koemaag zo door het water naar de overkant trekken. Ook werden wel eens biggen tegen thee geruild. Om te voorkomen dat die wat al te luidruchtig waren gaf men die eerst met een babyflesje wat jenever zodat ze drie of vier uur rustig waren.
    Ja, ook smokkelen maak de mens vindingrijk.

  • De laatste maanden van de oorlog vlogen bijna dagelijks Engelse bommenwerpers naar Emden of zuid oostelijk naar Bremen en Hamburg. Vlogen ze oostelijk dan ging het naar Wilhemshaven waar mijn ouders woonden. Ik heb toen dikwijls een traantje laten vallen. Oh Papa, Mama. Deze eskaders werden begeleid door Engelse jachtvliegtuigen om de bommenwerpers te beschermen omdat deze werden aangevallen door de Duitse jachtvliegtuigen. Deze luchtstrijd hebben oom Engelke en ik dikwijls bekeken.
    Bij een van de luchtgevechten sprak oom Engelke: "Daar is een vliegtuig neergeschoten, ik kan niet zien of het een Duitse of een Engelse is". Het keek verder met zijn verrekijker, die had hij nog uit de smokkeltijd.
    "Daar komt een parachutist naar beneden en komt onze kant op. De man is zwaar gewond, hij hangt helemaal slap in zijn gordel en zijn hoofd hangt naar beneden". De parachute kwam vlakbij ons naar beneden op Dallinga's stuk veen.
    Oom Engelke wilde hem helpen, maar vertrouwde het niet. Na ongeveer een half uur kwamen er drie auto's met Duitse soldaten aan, die naar de neergekomen man toe liepen. Het laatste stuk werd kruipend afgelegd. En toen riepen ze allemaal tegelijk "Hände hoch, hands up". De man kon nog met moeite zijn armen omhoog doen. Nu zagen de Duise soldaten dat het één van hun was. Ze hebben toen snel een draagbaar gemaakt van kleren en een geweer en hebben hem zo naar de Veendijk gedragen, waar inmiddels al een Rode Kruis wagen klaar stond. Hij werd naar het ziekenhuis in Winschoten gebracht. een paar dagen later hoorden we dat hij het niet had gered.

    Als kind is dit een sensationele belevenis, maar verschrikkelijk om zoiets mee te maken.


  • In het laatste oorlogsjaar werd de voedselvoorziening steeds belangrijker. Ik kan me nog herinneren dat bij ons in de stal een kalf geslacht werd. Hier namen namen aan deel 
  • Oom Anton, Lutje Anton(Oom Anton's zoon), de heer Holstein, die woonde "im Kloster", zijn zoon Stinus ging bij ons naar school, en wij. 
  • Alles werd in vieren gedeeld en ik moest achter de deur gaan staan en de namen opnoemen als zij een deel van het vlees aanwezen. 
  • Daarna moesten de mannen alles over de Lether brug brengen, die echter bewaakt werd. 
  • De mannen gingen eerst een paar maal met een zak turf erover, natuurlijk werd er gecontroleerd, de eerste keer, de tweede keer en bij de derde keer zei de wacht "Loop maar door" en dan zat tussen het turf vlees in een kussensloop en dan over de brug zonder controle. Nood maakt je vindingrijk. 

  •  
Toen de oorlog voorbij was moest oom Engelke op het gemeentehuis komen om zijn oorlogsverleden te laten onderzoeken. Hij was geen lid van de N.S.B. geweest, maar werd juist door de burgemeester geprezen omdat hij de moed had gehad mij als onderduiker in huis te nemen.

Dit sprak zich rond onder de schooljeugd, ook dat mijn vader tegen de nazi’s was geweest en toen was gelukkig alles in orde. Ik werd in de gemeente opgenomen en vanaf toen was er ook op het schoolplein rust en vrede en heb ik de school in Bellingwolde tot en met het laatste schooljaar bezocht.

Na de lagere school ging ik naar de ambachtsschool in Winschoten. Ik wilde bankwerker worden. Maar de onderwijzer had zo’n haat tegen Duitsers dat ik bijna dagelijks oorvijgen kreeg. Ik ben toen van school gegaan en de plaats die op school vrijkwam, gaf Chris Angerman de kans om naar de ambachtsschool te gaan.

Ik ben toen samen met oom Engelke bij boer Muller gaan werken voor een uurloon van 35 cent. Een jaar later werd dat 45 cent per uur.

Toentertijd ben ik lid geworden van de C.V.J.M. Samen met die vereniging heb ik verschillende driedaagse uitstapjes naar burcht ‘De Klenke’ in Hooghalen gemaakt. Ik heb nog heel wat foto’s uit die tijd. De leiding was toen in handen van meester Bos en dominee De Boer. De toneelvereniging “Morgenrood” heb ik mede opgericht en ook verschillende rollen gespeeld.

Toen ik 18 was gingen we vaak met meerdere jongens uit de buurt dansen in plaatsen over de grens, zoals Weener, Möhlenwarf of Bunde. In Bunde heb ik toen mijn vrouw leren kennen.

Begin 1953 vertrok ik uit Bellingwolde.

In de zomer van 2014 hebben we onze zestigjarige bruiloft gevierd. Een diamanten feest.

Tijdens al mijn jaren als arbeider heb ik me steeds ingezet voor de rechten en de plichten van mijn collega’s.

Met 60 jaar werd ik gepensioneerd en toen ben ik me meer met de politiek gaan bezighouden. Ik was raadslid voor de SPD, plaatsvervangend burgemeester en tenslotte burgemeester van de gemeente Bunderhee. Na de gemeentelijke herindeling ben ik nu al jarenlang Der Ortsvorsteher von Bunderhee.



Adrie komt nog af en toe in Bellingwolde. Hij gaat dan naar het kerkhof en ziet dan in gedachten de Oosterschool nog staan met links de kerk en droomt dan nog van zijn jeugdtijd.

Adrie heeft ons toegezegd nog wat foto's te sturen van de tochtjes naar Hooghalen en wellicht dat daar nog bekenden op staan.

Adrie Bents uit Bunderhee stuurde ons een drietal foto's uit 1951, De foto's zijn genomen bij het Kampeerhuis in Hooghalen, waar hij toen met een aantal jongeren van de C.V.J.M. uit Bellingwolde verbleef tijdens een vakantie. De foto's laten zien hoe de jongens zich toen 's morgens wasten. Van een douche hadden ze toen nog niet gehoord. Adrie wil graag weten of er oud Bellingwolders zijn die hier op de foto's worden herkend. Waarschijnlijk moet hierbij een beroep worden gedaan op een aantal tachtigers:-)

Klik op de foto voor een vergroting





Opnieuw zond Adrie Bents ons wat foto's van de trip naar Hooghalen. Deze keer van de ochtendgymnastiek.
We zijn erg benieuwd of iemand hier wat van herkend.



Meester Bos en dominee de Boer hadden deze keer geen tijd.
Daarom heeft meester Kuiper het overgenomen



Vlag hijsen met zang. Lustig is das Kampleven Varia, Varia, ho
Bij de vlaggenmast Jan Landlust op de achtergrond dominee de Boer


Aardappelen schillen met muziek van de meisjes

Aardappelen schillen met muziek van Jan Bos,
de zoon van meester Bos

Hieronder nog een aantal foto's uit 1946
er moeten Bellingwolders op staan







Accordeonclub Vrolijke Klanken


Aankomst bij Burcht de Klencke


Verkleed partijtje Benno Stikker en Klaas Jansma


Bij de Klecke
snel erheen, ring erover en weer terug

Klik op de foto voor een vergroting

Eine kleine Anekdote zum Schmukeln
Mein Onkel Engelke , erzählte öfter wen n sie kleine Ferkeln über der Grenze , im sack , geschmukelt haben 
(nach dem 1sten  Weltkrieg) dann bekammen die kleine  ferkeln  alcohol  zum trinken , wurde ihnen
eingeflöst  damit sie nicht grunsen  unterwegs  und der Zoll  dies hörte. 
Es Grüßt Adrie aus  Bunderhee